|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Magere Mientje
Dit is geen beroep voor de moedelozen. Wie in de
rijen van de politie stapt met de gedachte 'kom, nu zal ik even de
misdaad gaan bestrijden' kan zich beter aansluiten bij het Leger des
Heils, waar men terecht al dankbaar op een strijdend leven
terugblikt, wanneer men slechts één zondaar heeft bekeerd.
De meeste mensen hebben een totaal verwrongen beeld van de misdaad
en haar bestrijders. Op het televisiescherm komt het altijd als een
spektakel op ons af. De superspeurder, het pistool losjes in de
holster, tuurt peinzend spiedend naar de onderwereld.
Laaghartige schurken zijn er duidelijk op uit de
nobele strijder voor het recht naar de andere (betere?) wereld te
helpen. Op het moment van de confrontatie zal het knallen, want een
politieverhaal waarin niet op zijn minst twee doden vallen, bezorgt
ons een verloren avond.
Ik overdacht dit alles toen ik van de week Magere
Mientje weer eens in de cel aantrof. Magere Mientje is een lief, wat
spichtig vrouwtje van voor in de dertig, dat in het warrige wereldje
van de prostitutie al aan haar derde lustrum bezig is.
Buiten haar onmiskenbare kwaliteiten als prostituée heeft Magere
Mientje één zwak. Als bezoekende mannen zo dom zijn om haar een blik
te gunnen in een goed gevulde portefeuille, dan wordt de verleiding
haar te groot.
In een gewilde combinatie van liefde en afleiding
verdwijnt de portefeuille uiteindelijk onder haar matras. Omdat haar
tactiek door de jaren heen onveranderd is gebleven, loopt ze steeds
tegen de lamp. Ze is dan ook al vele malen als verdacht van beroving
ingesloten.
Ik weet niet precies meer hoe vaak ik Magere Mientje
in deloop der jaren terzake van zo'n beroving heb verhoord. Ik turf
dat niet. Ik weet alleen, dat ik haar altijd met veel zorg en
toewijding heb behandeld.
Uit een dwaas sentimenteel gevoel, gedreven door een puriteinse
ziel, ben ik van mening dat uit haar best een braaf en gelukkig
huisvrouwtje zou kunnen groeien, als ze de prostitutie maar de rug
toe keerde. In die geest heb ik ook steeds tegen haar gesproken.
'Dag Mientje,' zei ik. 'Is het weer zover?'
Ze kwam op me af. 'U behandelt mijn zaak?'
'Inderdaad.'
Ze glimlachte breed. 'Ik was gisteravond bij de wachtcommandant voor
de balie. Ik vroeg hem wie de berovingen van vannacht behandelde.
Toen hij zei dat u het was, heb ik het maar gedaan.'
'Wat?'
'Dat mannetje getild.'
Ik keek haar niet-begrijpend aan. 'Jij tilde dat mannetje omdat ik
jouw zaak zou behandelen?'
Ze knikte heftig. 'Ik wou het nog eens horen, weet
u, dat ik eigenlijk een goed meisje ben, dat ik best een braaf en
gelukkig huisvrouwtje zou kunnen zijn.'
Ze keek naar me op. 'U zegt het altijd zo mooi.'
Ik keek haar verbijsterd aan. 'En daarvoor pleegde
je een beroving?'
Ze haalde de schouders op. 'Ik heb het wel voor minder gedaan.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|