|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Oplichter
Ze was van 1896... een broos relikwie uit de vorige
eeuw met dun zilvergrijs haar en een gezicht vol lieve rimpeltjes.
Ze streek op de stoel naast me neer en legde de handen op mijn
bureau. Toen ik haar vragend aankeek, zei ze: 'Mag ik het zeggen,
meneer?' 'Het mag,' zei ik minzaam.
Ze verschoof iets op haar stoel. 'Ze hebben me beet gehad, denk ik.'
'Wie?'
'Een man die zei dat hij van Sociale Zaken kwam. Ik heb later
gehoord dat hij ook bij de buurvrouw is geweest, maar die had geen
geld in huis. Ziet u, ik woon op twee hoog. De buren van beneden
laten de buitendeur vaak openstaan en dan kan iedereen binnenkomen.
Gisteren werd er bij mij geklopt. Ik deed open. Op het portaaltje
stond een man. Hij zag er wel netjes uit. Ik kom van Sociale Zaken,
zei hij.'
'U liet hem binnen?'
'Ja, waarom niet? De mensen van Sociale Zaken doen goed werk. Dat
weet ik.'
'En toen?'
'Ik liet de man aan mijn tafel zitten. Hij haalde een grote map uit
zijn tas. U hebt nog een uitkering te goed, zei hij. Achterstallig.
Het loopt al over enige jaren. Een bedrag van drieduizend gulden. Ik
schrok er van. Zoveel geld. Ik werd ook een beetje zenuwachtig. Ik
vroeg waarom ik zoveel geld kreeg. De man zei dat alle
ouden-van-dagen er recht op hadden.'
Haar handjes bewogen. 'Ik dacht direct aan mijn jongste
kleindochter. D'r man verdient niet veel. Ze heeft het moeilijk met
d'r kindertjes. Ik stop haar nog weleens wat toe. Stiekem. Ik heb
nog andere kleinkinderen en als die...'
'Ja, ja,' onderbrak ik. 'Wat zei de man verder?'
'Hij zei dat hij me onmiddellijk wilde uitbetalen,
maar dat hij alleen groot geld had. Hij vroeg of ik geld in huis had
om te wisselen. Ik begreep het niet erg en aarzelde een beetje.
Hoeveel geld heeft u, vroeg hij. Negenhonderd gulden, zei ik. Die
had ik ook. In het theekastje. Ik had ze gespaard voor nieuwe
vloerbedekking. Het ouwe is op.'
'U heeft die negenhonderd gulden gegeven?'
Ze knikte traag. 'Ik... eh, ik zou toch drieduizend
krijgen.'
'Wat gebeurde er verder?'
'De man nam het geld van mij aan - negen briefjes van honderd
gulden. Hij deed ze in de map. Toen hij het geld had opgeborgen,
vroeg hij of hij van het toilet gebruik mocht maken. Mijn wc is op
het portaal. Ik ging met de man mee en wees hem waar het was. Ik
ging weer naar binnen om een kopje koffie voor hem te zetten.'
Haar lippen trilden en haar handen begonnen te
beven. 'Het duurde zo lang. Hij kwam maar niet van die wc. Op het
laatst ben ik gaan kijken. Ik voelde aan de kruk. Het haakje zat er
van binnen niet op. Ik heb toen de deur maar opengedaan.'
Ze huilde. Tranen wipten over de vele rimpeltjes. 'Hij was weg,
meneer... hij was weg... weg met mijn geld.'
Ik keek haar aan. Ze was zo zielig, zo ongelukkig,
dat me een brok in de keel schoot. Ik heb doorgaans begrip voor de
feilen van de mens, maar op dat moment vervloekte ik de oplichter.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|