|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Vooruitgang
'Het is allemaal de schuld van de computer.' De man
naast me sprak het bitter uit. 'De aardigheid is eraf. Er is geen
gein meer aan.'
Hij boog zich iets naar me toe. 'Ik ben altijd een man geweest die
nogal wat geld voor zich zelf nodig had. Ik ga graag naar
voetballen... ook als ze "uit" spelen. Ik leg graag een kaartje. Ik
houd van vissen. En dan drink ik graag zo mijn biertje, mijn
borreltje.'
Hij zwaaide met een vinger voor me heen en weer. 'Maar nooit van het
huishoudgeld. Begrijp je... daar ben ik nooit aan gekomen.'
Hij gebaarde voor zich uit. 'Ik maakte weleens een overuurtje, waar
mijn vrouw niets van wist. Er was weleens een salarisverhoginkje,
waar mijn vrouw niets van wist. En zo redde ik het wel. Begrijp je?
Meer dan vijfentwintig jaar heb ik op die manier gezellig geleefd.
Nooit bonje met mijn vrouw - nooit.'
'Maar nu hebt u haar toch aardig op het gezicht getimmerd,' kwam ik
tussenbeide.
Hij knikte beschaamd. 'Het komt door de computer. Vorige maand zijn
ze ermee begonnen. We kregen geen loonzakje meer, geen geld meer in
het handje, maar een girorekening.'
Hij sprak het vol verachting uit. 'En vooraf komt er dan een mooie
envelop, over de post. En daarin zit een briefje, van de computer,
en daar staat alles op... je salaris, kinderbijslag, toelagen... en
elk overuurtje datje hebt gemaakt. Het is afgelopen. Er valt voor
een man niets meer te muizelen.'
Hij zuchtte omstandig. 'Vanmorgen heeft ze voor het eerst die
envelop opengemaakt. En de hele dag heeft ze zitten rekenen. Nou, en
toen ik vanavond thuiskwam, was de boot aan. Ze heeft me precies
uitgerekend wat ik haar al die jaren te kort had gedaan.'
Hij knikte voor zich uit. 'Zo noemde ze dat... alsof ze ooit wat te
kort was gekomen. Ik probeerde haar uit te leggen dat het niet waar
was. Maar ze bleef zwaaien met dat computerbriefje in haar hand.'
Hij kneep de lippen op elkaar. 'Toen werd ik giftig. Begrijpt u,
voor het eerst in vijfentwintig jaar werd ik giftig. Niet eens
eigenlijk op haar. Maar op dat gore rotbriefje. Toen heb ik haar een
hengst verkocht.'
Hij zweeg en staarde naar zijn knoestige handen. 'Ik kan er wel mee
stoppen. Wat moet ik nog? Ik heb altijd met plezier gewerkt...
hard... voor me zelf... voor wat extra's. Mijn aardigheid is er nou
af.'
Hij stond moeizaam op. 'Heeft meneer me nog nodig?'
Ik schudde het hoofd.
'Dan ga ik maar,' zei hij verdrietig.
Ik keek hem na hoe hij met gebogen hoofd de recherchekamer verliet -
een triest slachtoffer van de vooruitgang. ..
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|