|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Een hobby
Ze was mooi, jong, exotisch. Terwijl ze tegen me sprak, bleef ik
naar haar kijken. Er was iets vreemds in haar gezicht, iets dat me verwarde.
Plots besefte ik wat het was. Het waren haar ogen. Het was niet de kleur of de
glans, maar de manier waarop de natuur ze in dat gezichtje had geplaatst. De
ogen stonden namelijk niet in een horizontale lijn, maar lagen op verschillend
niveau. Ik begreep nu ook waarom haar gelaat me had verward. De beide helften
weken sterk van elkaar af. Wanneer ze tijdens het spreken het gelaat wendde,
veranderde de uitdrukking volkomen. Ze had als het ware twee gezichten.
'Die man valt u lastig?' haakte ik in.
Ze knikte heftig. 'Al maanden. Op de meest onverwachte ogenblikken
duikt hij voor me op. Ik kan het niet meer verdragen. Ik word er
nerveus van. Als u hem eens...'
Hij was lang en tanig en had de huidkleur van iemand, die vele jaren
in de tropen heeft doorgebracht.
Hij keek me geamuseerd aan. 'Wat heeft u op het hart?'
'Er is een vrouwtje bij me geweest,' begon ik. 'Ze heeft zich over u
beklaagd.'
Hij glimlachte. 'Ik weet welk vrouwtje u bedoelt. Het is jammer. Ze
interesseert me.' Hij bracht de handen naar voren tot de
vingertoppen tegen elkaar rustten.
'U moet mij niet misverstaan,' ging hij verder. 'Het is niet de
interesse die mannen gewoonlijk in vrouwen hebben. Ik bedoel niet
die interesse, die uiteindelijk de mensheid in stand houdt.'
Omdat ik me niet zo snel een andere interesse in de
man-vrouwverhouding kon voorstellen, vroeg ik: 'Wat wilt u van
haar?'
Hij glimlachte opnieuw. 'Ik verzamel mensen. Het is
mijn hobby. Vroeger verzamelde ik vlinders. Ik prikte spelden door
hun lijf en bewaarde ze onder glas.' Hij zuchtte. 'Met mensen kun je
dat niet doen.' Hij keek me aan. 'Ik denk, dat u bezwaren zou
maken.'
Ik knikte nadrukkelijk.
'Mensen zijn bijzonder interessant,' ging hij verder. 'Interessanter
dan vlinders. Daarom heb ik de vlinders weggedaan.'
'Wat trekt u zo in mensen aan?' vroeg ik.
'Hun gezicht. Het moet u als rechercheur toch ook zijn opgevallen
hoe groot hun verscheidenheid is. Verbazingwekkend. En al die
verschillen worden in feite alleen veroorzaakt door de afwijkingen.
Ieder mens heeft twee ogen, een neus en een mond. Men zou dus
verwachten dat al die gezichten bijna het zelfde zijn. Maar kijk om
u heen. De variatie is oneindig.'
Hij stond op, liep naar een kast en kwam terug met een grote doos.
Hij opende deze en duwde me een stapel foto's in de hand. Het waren
allemaal gezichten. Portretten en face. Of eigenlijk waren het geen
portretten. Het waren foto's, waarop alleen de ogen, de neus en de
mond te zien waren. Meer niet. Over al die foto's waren met potlood
twee strepen getrokken in de vorm van een kruis.
'Prachtig, vindt u niet?'
Ik knikte. De verzameling was indrukwekkend. Alleen al de
verscheidenheid van monden leek me een studie waard.
'Hoe komt u aan al die foto's?' vroeg ik.
'Die maak ik zelf,' riep hij enthousiast. 'Ik ga gewoon op jacht.
Het zou u verbazen hoeveel plezier ik eraan beleef. Soms zit ik uren
met mijn toestel schietklaar op een terrasje en kijk naar mensen.'
'Zoals naar dat vrouwtje,' onderbrak ik hem.
'Ja,' zei hij peinzend, 'dat gezicht. Hebt u haar ogen gezien?'
Ik knikte. 'Haar ogen staan een beetje vreemd.'
'Juist. Dat is het. Ongelooflijk mooi.'
Ik gaf hem de foto's terug. 'Toch hoop ik dat u haar met rust laat.'
Hij maakte een berustend gebaartje. 'Jammer... ze zou zo mooi in
mijn verzameling hebben gepast.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|