|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Souvenir
Hij was groot, breed en krachtig met een korte nek
en een hoofd vol warrige krulletjes. Ik schatte hem zo rond de
dertig. Een jeneverwalm hing om hem heen, maar dronken was hij niet.
Hij legde een paar enorme handen op mijn bureau en keek mij
verdrietig aan. 'Ik kom mij zelf aangeven,' sprak hij timide. 'Ik
heb 'n vrouw geslagen.'
'Erg?'
Hij stak een machtige rechterarm omhoog. 'Je weet nooit hoe het
uitpakt als je hiermee een hengst krijgt.' Hij tastte in een van
zijn broekzakken en bracht een lap te voorschijn. Het was een brok
van een japon. 'Van haar,' legde hij uit. 'Toen ze wegliep hield ik
dit in mijn handen.'
Ik bekeek de lap. Het was een compleet voorpand. 'Dan had ze niet
veel meer om het lijf,' schertste ik.
Hij schudde droef het hoofd. 'U moet er geen grapjes mee maken. Ik
ben echt bang dat ik haar pijn heb gedaan... dat ik haar ernstig heb
bezeerd. Ziet u, ik was door het dolle heen.'
'Waarom?'
Hij zuchtte diep. 'Ik ben stuurman. Ik kom niet zo veel aan de wal.
Ons soort mensen heeft ook niet zoveel tijd voor vaste verkering en
zo. Zes maanden geleden leerde ik haar kennen.' Hij maakte bollende
gebaren in de lucht. 'Ze had alles waarvan je als man op zee droomt.
We moesten ons maar verloven, zei ik, want ik wilde zoiets wel
vasthouden. Ze had er wel oren naar en kort voor ik weer naar zee
ging, hebben we ons verloofd... een klein intiem onderonsie.'
'Dat is toch mooi,' interrumpeerde ik.
Er kwam een droeve grijns op zijn gezicht. 'Ik leefde zuinig aan
boord. Elke maand stuurde ik haar bijna mijn hele gage. Voor de
uitzet, begrijpt u. Vanmorgen vroeg liepen we binnen. Ik nam direct
een taxi naar d'r huis. Ze was er niet. In een kroegje om de hoek
heb ik op haar zitten wachten. Daar ontmoette ik een oude maat van
me en hem vertelde ik van ons geluk. Mijn maat lachte mij vierkant
uit. Wat bleek? Er kwam een heel regiment mannen bij haar over de
vloer en van veel kerels had ze een maandgeld.'
'Dat maakte je razend?'
'Ik heb haar overal lopen zoeken. Op de Zeedijk zag ik haar. Ze
rende voor mij weg, maar ik haalde haar in.'
'Toen heb je haar een paar oplazers verkocht?'
Hij knikte voor zich uit.
'Ik kon mij niet bedwingen.'
Ik bracht hem naar het verhoorkamertje en ging op pad. Ik trof haar
thuis. Haar rechteroog en -wang waren wat gezwollen en ze had
ontvellingen aan armen en benen.
'Hoe komt het?' vroeg ik.
'Gevallen,' zei ze strak. 'Van de trap.'
'Ik heb op het bureau een man, die zegt dat hij je heeft geslagen.'
Ze schudde het hoofd. 'Gevallen,' herhaalde ze kriegelig. 'Gewoon
gevallen.'
Ik ging terug. 'Het is niet erg,' rapporteerde ik hem. 'Binnen een
paar dagen zie je er niks meer van.'
'Gelukkig,' reageerde hij opgelucht.
'Waar wonen je ouders?'
Hij noemde een plaatsje in de kop van Noord-Holland.
'Neem de trein en ga daar heen.'
Hij nam de lap van mijn bureau en rook eraan. 'Wat doe ik hiermee?'
Ik keek naar hem op. 'Bewaren... als souvenir.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|