|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Een mep
Hij was nog half 'dizzy' toen ik hem uit de cel
haalde. De wachtcommandant had een dokter bij hem laten komen, omdat
hij sinds zijn arrestatie klaagde over duizeligheid. Maar buiten een
oppervlakkige buil aan het achterhoofd had de arts geen afwijkingen
kunnen constateren.
In het proces-verbaal van zijn aanhouding stond dat hij na een
anoniem telefoontje in bewusteloze toestand op straat was
aangetroffen. Pal boven de plek waar hij lag was een raam van een
winkeldeur verbroken. Met een glassnijder was bij het slot een
halfrond gat gesneden.
Nog voor de agenten de geneeskundige dienst hadden gewaarschuwd,
kwam de man weer bij. Met zijn linkerhand streek hij over zijn
achterhoofd. In zijn rechterhand had hij een glassnijder.
Ik zette hem op de stoel naast mijn bureau en keek hem eens aan. Hij
maakte een krachtige indruk. Kort, stevig gebouwd, met machtige
schouders. Ik tikte op het lijstje met antecedenten, dat ik van hem
had opgevraagd.
'Allemaal diefstal door middel van braak. Het lijkt mij niet
onredelijk om aan te nemen, dat u ook nu weer bezig was om in te
breken?'
Hij grinnikte.
'Nee, niet onredelijk.'
'Waarom maakte u het karwei niet af?'
Zijn linkerhand gleed tastend naar de buil op zijn achterhoofd.
'Iemand gaf mij een mep.'
'Wie?'
Hij spreidde beide armen. 'God mag het weten. Ik had net het ruitje
eruit getikt, toen ik plotseling een mep op mijn hoofd kreeg. En
toen ik weer bijkwam, stonden die dienders naast me.'
Ik bracht hem terug naar de cel en ging op pad. Ik vroeg mij af wie
zo'n krachtige man met een enkele klap 'groggy' had geslagen. Ik
trof de eigenaar voor de winkeldeur. De wachtcommandant had hem
gewaarschuwd.
'Is er iemand die 's avonds op uw zaak let?' vroeg ik.
Hij wees omhoog. 'Boven, daar woont een vrouwtje.'
Ik ging de trap op en belde aan. Ze zag er broos en fragiel uit in
een lange roze nachtjapon. 'Heeft u vanavond de politie
gebeld?'
Ze knikte traag en ging mij voor naar een kamer, volgepropt met
prulletjes en snuisterijtjes. Ze schoof een pluche gordijn opzij en
wees naar een spionnetje. 'Ik zag hem bezig aan de deur.'
'Weet u hoe hij bewusteloos kwam?'
Ze wreef het grijze haar uit haar gezicht en kneep de dunne lippen
op elkaar. Ik herhaalde mijn vraag. Even scheen ze te aarzelen, toen
liep ze naar een kastje aan de wand en kwam terug met een wollig
rechthoekig pakketje.
'Wat is dat?'
'Een steen, een baksteen. Ik heb hem van de buurman beneden
gekregen. Als ze inbreken, zei hij, dan gooi je die steen maar naar
hun hoofd. Ik vond het toch maar een beetje griezelig. Zo'n kale
steen. Ik wil niet graag iemand pijn doen. Ziet u, daarom... ik heb
er maar een paar stukken van een wollen deken om genaaid. Dan komt
het niet zo hard aan.'
'En dat hebt u vanavond op het hoofd van de inbreker laten vallen?'
Ze knikte. 'Hij ging direct plat. Ik heb toen gauw mijn steen weer
opgehaald en de politie gebeld.'
Ze keek naar het pakketje in haar hand. 'Mag ik hem houden, meneer?
Je weet nooit of ze nog eens terugkomen.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|