|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Anneke
Ze was mooi, bijzonder mooi, veel te mooi voor het
schrale interieur van de recherchekamer. Ze schreed op lange benen
naar mij toe en gleed sierlijk op de stoel naast mijn bureau.
'Ik,' zei ze zacht, 'ik ben Anneke.'
'Dag,' reageerde ik wat benepen, want je weet als rechercheur nooit
wat er op zo'n mededeling gaat volgen.
Ze legde haar beide handen op mijn bureau en boog zich iets naar mij
toe. Haar laag uitgesneden blouse opende zoveel intimiteit, dat ik
ter wille van de gemoedsrust mijn blik wat liet wegdwalen.
'Er wordt bij mij ingebroken,' fluisterde ze. Ik beluisterde in haar
stem zoveel vreugde en blijheid, dat ik verrast naar haar opkeek.
'Wanneer?'
Ze maakte een vaag gebaartje. 'Dat weet ik niet zo precies.
Misschien wel elke nacht.'
'Elke nacht?' riep ik verbaasd.
Ze knikte heftig. 'Zeker wel.'
'En wat wordt er dan gestolen?'
'Niets.'
Ze zag de twijfels op mijn gezicht.
'Nee, echt niet. Ik ga elke dag alles na. Ik ben nooit iets kwijt.'
'Zijn er sporen van braak?'
Ze schudde haar hoofd.
'De deur is altijd gewoon op slot en ik heb pennen op de ramen.'
Ik keek haar ontzettend onderzoekend aan. 'Hoe weet u dan dat er
wordt ingebroken?'
Ze richtte haar hoofd op en staarde langs mij heen. Voor het
eerst ontdekte ik iets wazigs in haar blik. 'Als ik 's nachts wakker
word, is er steeds een vreemde man in mijn kamer. Ik ben dan erg
bang. Uit angst blijf ik doodstil liggen, durf mij niet te
verroeren. Meest staat hij aan het voeteneinde van mijn bed en kijkt
naar me.'
'Meer niet?'
Ze sloot beide ogen als wilde ze het beeld verdringen.
'Hij komt nooit dichter naar mij toe. Hij staat daar alleen maar en
kijkt.'
'Hoe ziet hij er uit?'
Ze aarzelde, een zoete glimlach gleed over haar mooie gezicht.
'Knap, groot, lang met zwart golvend haar en bruine ogen.'
Omdat een lang rechercheleven mij heeft geleerd dat vrijwel alles
mogelijk is, ging ik met haar mee. Ze woonde alleen op een tweede
etage in een huis aan de gracht. Haar woning was zo zwaar met sloten
en grendels gebarricadeerd, dat zelfs geen muis zou kunnen
binnendringen.
Toen ik na mijn onderzoek bij haar wegging, zei ze: 'Komt hij
vannacht weer?'
Ik knikte haar vriendelijk toe. 'Vast,' zei ik
overtuigend. 'Ik zou alleen niet meer bang voor hem zijn.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|