|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Tjidde
In het begin van het jaar bracht ik een
injectiespuit bij drs. Eskes. Ik had de spuit gevonden in de arm van een
verslaafde, die dood in een kraakpand lag.
Drs. Eskes is onze politiedeskundige. Hij heet Derk, maar hoewel ik hem al meer
dan twintig jaar ken, spreek ik hem nog altijd met 'meneer' aan.
Dat 'meneer' is een uiting van de waardering en bewondering, die ik voor hem
koester. Als ik hem in zijn laboratorium tussen zijn weegschalen, branders en
kolven zie scharrelen, doet hij mij altijd denken aan een middeleeuwse
alchimist, die tot zijn eigen verwondering zevenhonderd jaar te laat is geboren.
Hij grabbelde in een laatje en gaf mij vier kurkjes. Ik keek hem verwonderd aan.
'Wat moet ik ermee?'
'Als je weer eens een injectiespuit van een dode junkie in beslag neemt, druk
dan de naald direct in een kurkje. Het is voor je eigen veiligheid. Je hebt zo
een zware infectie. Die naalden zijn levensgevaarlijk.'
Ik stopte de kurkjes achteloos in mijn zak en ging. Vorige week heb ik de
laatste gebruikt.
Dat was in een jeugdhotel in de binnenstad. We vonden hem in een wc, een lange
slanke jongen met dun, vlasblond haar.
Hij zat schuin weggezakt op de closetpot. De injectienaald stak nog in zijn arm.
Met hulp van de broeders van de Geneeskundige Dienst legden we hem in de gang.
Ik trok voorzichtig de injectienaald terug en bekeek de arm. De vele
punctieplekjes waren gaan zweren.
Ik doorzocht zijn zakken, maar er was niets waarop zijn naam stond vermeld. Ik
keek omhoog naar enkele jeugdige hotelgasten, die wat verderop in de gang
stonden.
'Kent iemand van jullie hem?'
Een wat slonzig meisje kwam naar voren. 'Hij heet Tjidde,' zei ze
zacht. 'En hij komt uit Groningen. Daar wonen zijn ouders.'
Ik liet het lichaam naar het sectielokaal aan de Overtoom brengen en
ging op zoek naar de ware identiteit van Tjidde.
Het kostte mij drie uur, maar toen wist ik ook wie Tjidde was... een
twintigjarige jongen uit een goed degelijk gezin, die na een paar
mislukte HAVO-jaren steeds dieper in de poel van de drugs was
weggezakt.
Die avond stond ik op de Overtoom en wachtte op de ouders. Ze waren
er prompt op tijd in een grote witte
Mercedes.
Toen ze waren uitgestapt, drukte ik hen de hand, condoleerde, en
ging hen voor naar het kille sectielokaal. Ik deed de deur open. Vol
verbijstering staarden ze naar de dode Tjidde op de brancard.
Het leek alsof ze zich eerst op dat moment realiseerden wat er was
gebeurd. De vrouw barstte in snikken uit. Ik stond op enige afstand.
Plots kwam de man naar mij toe. Zijn gezicht zag rood. 'Het is de
schuld van die slappe bende,' riep hij fel. 'Iedereen is slap
tegenwoordig. Slappe leraren op school en slappe politiemannen op de
straat.'
Hij wees naar de brancard. 'Daar hebt u schuld aan,' schreeuwde hij
geëmotioneerd.
De vrouw boog zich naar het hoofd van de dode jongen en terwijl ze
zoete woordjes fluisterde tegen oren die niet meer luisterden,
brulde de man over mijn schuld, mijn verantwoordelijkheid voor het
in-stand-houden van een maatschappij waarin zijn zoon op deze wijze
de dood kon vinden.
Ik liet hem begaan. Zijn woorden gleden langs mij heen. Ik had geen
lust tot een weerwoord.
Toen de man was uitgeraasd, leidde ik het echtpaar zachtjes terug
naar hun wagen. Wat verdoofd bleef ik aan de rand van het trottoir
staan en keek hoe het rode licht van hun Mercedes in de avondnevel
oploste.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|