|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Snoek
De man zwaaide breed, driftig, met een rood hoofd. 'Die
vent is gek,' schreeuwde hij overspannen. 'Stapelgek. Die moeten jullie
opsluiten.' Hij keek in mijn richting en veranderde wat van toon. 'Ik heb op de
gracht een zaak voor sportvissers... hengels, molens, lood, dobbertjes en
snoer... u weet wel. Sinds kort heb ik in de etalage een mooie opgezette
snoek... een kanjer. Een halfuurtje geleden komt die idioot mijn zaak binnen en
zegt, dat hij die snoek wil. Ik zeg... eh, nee, zeg ik, die snoek is niet voor
de verkoop. Die snoek staat daar voor de sier. Maar hij bleef zaniken. Hij zou
en moest die snoek. Op het laatst werd het mij te gortig. Ik greep hem bij kop
en kont en smeet hem de zaak uit.'
'En toen?'
'Ik ben net weer binnen, hoor ik een lawaai, een gerinkel. Ik kijk. Heeft die
gek de ruit van mijn etalage ingekegeld.' Hij wees naar een mannetje dat ze op
een stoel voor mijn bureau hadden gezet. 'Ik ben hem zelf maar even komen
brengen.'
Toen de driftige winkelier was vertrokken, nam ik het mannetje apart. Hij leek
mij niet onsympathiek. Ik schatte hem een late vijftiger. Hij had een
vriendelijk gegroefd gelaat met een paar diepbruine ogen, waaruit een wat
melancholieke blik dwaalde. Ik had moeite om in hem enige agressie te ontdekken.
'U hebt die ruit ingegooid?'
'Ja.'
'Waarom?'
'Omdat ik die snoek wilde.'
Ik glimlachte. 'De winkelier wil hem niet kwijt.'
'Maar het is mijn snoek.'
Ik keek hem verwonderd aan. 'Heeft u hem
gevangen?'
Hij schudde droef het hoofd en zuchtte diep. 'Ik ben feitelijk een stadsmens. Ik
heb ook altijd in de stad gewoond. Een jaar of acht geleden had ik een aardig
klappie in de loterij. Op een heel lot. Maar geld brengt geen geluk. Een jaar
later stierf mijn vrouw. Ik heb toen in de buurt van Kwadijk een oud
boerderijtje gekocht, compleet met een eigen stukkie weiland en een eigen sloot.
Op een morgen ontdekte ik in die sloot een snoek... een prachtbeest. Hij stond
in het water zo groots, zo koninklijk, dat ik met bewondering naar hem bleef
kijken. Hij zwom niet eens weg toen ik dichterbij kwam. Ik ben toen tegen hem
gaan praten. Zomaar. Misschien wel omdat ik juist op dat moment iemand nodig had
om tegen te praten.' Hij zweeg even. 'Ze zijn gek op wurmen ... snoeken. De
volgende morgen, al vroeg, stak ik een stel wurmen voor hem en ging naar mijn
slootje. Hij stond al op mij te wachten. Die dag en de dagen daarop. Altijd op
hetzelfde plekkie. En hij luisterde ook. Dat kon je zien. Hij draaide dan zijn
kop een beetje naar mij toe.'
Hij zweeg opnieuw. 'Op een morgen was hij er niet. Ik ben roepend het slootje
langs gegaan. Maar hij kwam niet. Ook niet de dagen daarna.' Er glansden tranen
in zijn ogen.
'Vanmiddag was ik even in de stad. Ik kwam langs die sportwinkel en daar stond
hij... in de etalage.'
'Uw snoek?'
Hij liet het hoofd zakken. 'Het spijt me, dat ik mij niet kon
beheersen. Het was dom. Maar ik wilde die snoek zo graag.'
Hij keek naar mij op. 'Zou u..
. eh?'
Het kostte mij heel veel
overredingskracht om de winkelier te bewegen de snoek aan mij te
verkopen. Hij staat nu op de schoorsteen van een boerderijtje in de
buurt van Kwadijk. Een mannetje praat tegen hem. Elke dag. Hij
steekt alleen geen wurmen meer.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|