|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Trouw
Ik heb sinds kort een hond, een cocker-spaniël,
bruin met een wit pluimpje aan zijn ingekorte staart. Polly heb ik
hem genoemd. Hij heeft een uitgesproken intelligent voorhoofd en een
paar ogen, zo melancholiek, zo droevig, dat ik het gevoel heb hem
voortdurend bemoedigend te moeten toespreken.
Ik moet als volkomen verknipt bij hem overkomen, maar misschien is
hij juist daarom zo op mij gesteld. Een hondeziel is nu eenmaal
moeilijk te peilen.
Enige jaren geleden
arresteerde ik eens een man voor een kleine, maar in mijn ogen toch
wel gemene diefstal. Samen met een collega pikten we hem van de
straat. Omdat het niet ver was, brachten we onze arrestant te voet
naar de Warmoesstraat. We hadden nog maar een tiental meters
gelopen, toen ik bemerkte dat steeds een hond om ons heen dartelde.
Het was een vaalgrijs beest van een ondefinieerbaar ras.
'Is die hond van u?' vroeg ik aan mijn arrestant.
De man bukte zich, aaide de hond over zijn kop en zei: 'Naar huis,
Polly, kom, joh, naar huis. Baassie moet even alleen weg.'
Het dier liep een eind terug, maar bleef ons op een afstandje
volgen. Het beest was al helemaal uit mijn gedachten gegleden, toen
ik vrij laat die avond hel bureau verliet. Tot mijn verbazing stond
de hond voor de deur. Kwispelend kwam hij op mij toe.
Wat geërgerd liep ik naar de cel. 'Die hond van u staat voor het
bureau.'
De man trok zijn schouders op. 'Ik kan er niets aan doen,' sprak hij
gelaten. 'Jij hebt mij hier toch ingesleept.'
Ik vloekte binnensmonds en met een gevoel van onbehagen stapte ik
naar huis. De volgende morgen ging ik wat vroeger
naar het bureau dan normaal. De hond lag bij de ingang. Toen hij mij
zag, kwam hij moeizaam overeind. De trouw van het dier beroerde mij.
Ik aaide hem over zijn ruige kop en ging weer naar de cel, 'Die hond
van u heeft de hele nacht voor de deur gelegen.'
De man knikte. 'Ik weet het. Ik heb hem af en toe horen janken.'
Ik wond mij een beetje op. 'Kent u niet iemand die de hond kan komen
weghalen?'
Hij schudde langzaam het
hoofd. 'Ik woon alleen. Ik ken niemand. Die hond is eigenlijk alles
wat ik heb. Als je er erg veel last van hebt... breng hem naar het
asiel.'
Zonder wat te zeggen liep ik
hij hem weg. Die dag werkte ik keihard om de zaak van de diefstal
rond te krijgen. Bijna elk uur keek ik uit het raam van de
recherchekamer naar de hond, die van geen wijken wilde weten.
Uiteindelijk stapte ik naar
mijn chef en bepleitte daar zo vurig de 'voorlopige
invrijheidstelling' van mijn arrestant, dat hij verbaasd naar mij
opkeek. Gelukkig vroeg hij niets en willigde mijn verzoek in.
Met een gevoel van opluchting haalde ik mijn arrestant uit de cel.
Toen alle formaliteiten waren vervuld, bracht ik hem naar de deur.
De hond sprong blij naar hem op en likte zijn handen. 'Geef hem
vanavond een extra portie vlees,' zei ik hees. 'Een betere
advocaat had je nooit kunnen vinden.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|