|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Willem
'Professor Van P. keek stomverbaasd toen hij
stierf. Die verbazing was mijn grootste triomf. Het was de eerste
maal dat de professor verbaasd was. Het zou ook de laatste maal
zijn. De verbaasde uitdrukking op zijn gezicht verstarde in de dood,
toen hij langzaam voorover zakte en met een zachte plof naast het
ronde tafeltje op de vloer gleed.
Op het ronde tafeltje stonden
twee glazen, grote bolle glazen, en een fles cognac. Uit een van de
glazen had ik gedronken. Uit het andere hij. Mijn glas was nog vol.
Zijn glas was leeg.'
De man hijgde en likte met de tong langs de droge lippen. Ik keek
hem aan. Ik schatte hem op achter in de twintig. Hij had een
vaalgeel gezicht met diepliggende ogen. Een terugtrekkende, nogal
verwilderde haardos omlijstte een hoog voorhoofd. Ik begreep niet
veel van zijn verhaal.
Professor Van P- was een
bekend publicist. Ik had hem weleens op het televisiescherm gezien.
Een vriendelijk man, zo op het oog.
'U hebt professor Van P.
gedood?' opende ik.
'Ja, en ik heb nooit geweten dat het zo gemakkelijk zou gaan.'
'Vergif?' vroeg ik overbodig.
'Cyaankali. Werkt bijzonder
snel.'
Ik knikte instemmend.
'Je moet weten hoe je het toedient. Het wordt de laatste tijd wel
gebruikt door amateurs. Maar die maken er knoeiwerk van.'
'U bent geen amateur?' vroeg ik voorzichtig.
'Zie ik eruit als een amateur?'
'Nee, nee,' ontkende ik haastig.
'De professor heeft gemerkt
dat hij niet met een amateur te doen had.'
Hij lachte. Het was een vreemde lach, die aan zijn gezicht een
duivelse uitdrukking gaf. Onwillekeurig huiverde ik.
'Later,' ging de man verder, 'zal het nageslacht mij eren. Daarom
moet er iemand zijn die weet dat ik een grootse daad heb gesteld.
Iemand moet dat aan het nageslacht doorgeven. Daarvoor heb ik u
uitgezocht. U zult vertellen dat er in een tijd van dwaling een man
is geweest, die...'
Een oudere man en een vrouw stormden de recherchekamer binnen. Blij
verrast liepen ze op de man toe.
'Willem.' riep de vrouw, 'waar
zat je? We hebben je overal gezocht.' Ze drukte het hoofd van de man
tegen haar omvangrijke boezem.
'Je weet toch dat je niet zo maar van ons mag weglopen.'
Willem lachte wat schaapachtig.
De oudere man. die er bezorgd bij stond, zei tegen mij: 'Willem
heeft u toch geen dwaze verhalen verteld? Ziet u, hij leest
ontzettend veel, rijp en groen, alles wat hij maar onder ogen
krijgt. Het is een lieve jongen. We zouden hem voor geen geld willen
missen.'
Met Willem tussen hen in verlieten ze de recherche kamer. Ik bleef
in verbazing achter. Toen de rechercheur weer in mij ontwaakte,
belde ik het huis van professor Van P. De professor bleek in
blakende welstand.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|