|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Bitterkoekjespudding
Ze wilde er geen zaak van maken. Dat niet. Ze
wilde alleen aandacht en begrip. Ze had eerst niet naar de politie
willen gaan, 'dat-is-toch-wel-het-laatste-dat-je-doet', maar de
toestand was voor haar ondraaglijk geworden. Nee, er moest geen
echte zaak van komen met het gerecht en zo, maar gewoon een beetje
hulp van de recherche. En dat kon toch?
Ik knikte aarzelend en keek
haar aan. Ze was nog jong. Ik schatte haar op vijfentwintig. Ze had
een beeldig figuurtje. De strakke broek en blouse, die ze droeg,
verhulden dit niet. Dat was ook duidelijk niet haar bedoeling. Ze
was zich van haar charmes wel bewust. Ik kan niet zeggen, dat ze
bepaald knap was. Dat niet. Maar haar verschijning had iets
opwindends, iets fascinerends, iets dat mij ertoe dwong bijna
onafgebroken naar haar te kijken.
Ze was er blijkbaar aan gewend
dat mannen haar onophoudelijk aanstaarden, want ze toonde geen
enkele blijk van afkeuring, hoewel ik zelf voelde dat mijn manier
van observeren voor haar bepaald hinderlijk moest zijn.
'Ja,' begon ze, 'het is
misschien vreemd om u ermee lastig te vallen, maar ik word
achtervolgd door een man.'
'Een aanbidder?' vroeg ik.
Ze schudde het blonde hoofd.
'Dat geloof ik niet. Hij heeft nog nooit wat tegen me gezegd. Zo
ongeveer drie maanden geleden zat ik op een terrasje aan het Damrak.
Een paar tafeltjes verderop zat een man. Voor in de vijftig, schat
ik. Hij zag er keurig uit. Echt verzorgd. Nu ben ik er wel aan
gewend dat mannen naar me kijken, maar de manier waarop die man mij
aanstaarde was gewoon beschamend. Ik verschoof mijn stoel een
beetje, zodat hij me niet langer kon aankijken. Het gaf niet. Hij
stond op en ging tegenover me zitten. Sindsdien achtervolgt
hij me bijna iedere dag. Ik houd dat niet meer uit. Vandaag is hij
er weer. Ik wed dat hij nu buiten voor het bureau op me staat te
wachten.'
We liepen naar het raam en ze
wees naar een heer, die bij de Heintje Hoeksteeg stond. Ik ging naar
buiten, sprak hem aan en bracht hem naar een kamertje voor verhoor.
'Op wie wachtte u?' opende ik.
Hij glimlachte opgewekt. 'Op
dat jonge ding, dat hier naar binnen is gegaan.'
'Familie?' informeerde ik
voorzichtig.
'Nee, niets. Ze is mijn
bitterkoekjespudding.'
'Wat?'
Hij lachte om mijn reactie.
'Vroeger maakte mijn vrouw altijd bitterkoekjespudding voor me.
Bitterkoekjes weken in rum en dan in een puddinkje van gries. Ik ben
er verzot op.'
Hij gebaarde achteloos. 'Een
paar jaar geleden is ze ermee opgehouden. We zijn toen ook wat uit
elkaar gegroeid. Het vlotte allemaal niet zo best meer.'
Er kwam een glinstering in
zijn ogen. 'Tot ik op het terrasje dat jonge ding zag.'
Hij maakte tut-geluidjes. 'Wat
een beeld. Ze inspireert me. Wanneer ik met mijn eigen vrouw samen
ben, knijp ik af en toe mijn ogen stijf dicht en denk aan haar. Het
helpt.'
Hij keek naar me op. 'Ik wil
niets van die meid zelf, hoor. Ik wil haar alleen maar zien... zo nu
en dan. Een klein opkikkertje. Begrijpt u, dan kan ik er weer even
tegen.'
Ik schudde het hoofd. 'Ze wil
niet dat u haar nog langer achtervolgt.'
Hij beet op zijn onderlip.
Zijn gezicht betrok. 'Dat is spijtig. Ziet u... mijn vrouw... ze
maakt alweer bitterkoekjespudding.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|