|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Geschenk Enige jaren achtereen verscheen er om de twee
weken in de recherchekamer van het bureau Warmoesstraat een doorgaans
vriendelijk oud heertje. Zijn naam was George Baker. Het moest op een specifiek
Engelse manier worden uitgesproken met duidelijke 'dzj's' bij George en een
langrollende 'r' bij Baker. Wee de rechercheur die gewoon op z'n plat Hollands
Sjors Baaker zei. Hij werd door het heertje onmiddellijk tot de orde geroepen.
'Jong mens,' sprak hij dan, 'het is beschamend dat het nog niet tot je verharde
hersens is doorgedrongen, maar ik ben van Good Old England en mijn naam is
Dzzjórs Beekerrr .. .'
Zijn verschijnen in de recherchekamer was een feestelijke gebeurtenis. Iedereen
legde zijn werk een ogenblikje neer en nam opgewekt aan de begroeting deel. Er
werd dan naar het doel van zijn komst geïnformeerd. Dat was komedie. We wisten
precies waarvoor hij kwam. George Baker (let u op de uitspraak) deed aangifte
van de diefstal van zijn wekkertje... goudkleurig met ronde wijzerplaat en
Arabische cijfers... waarde zeker zeventien gulden. Gisteren was het er nog...
't stond op zijn nachtkastje... vanmorgen was het verdwenen.
Elke veertien dagen werden er ijverig aantekeningen gemaakt en volgde een
ernstige bespreking over de wijze waarop het onderzoek ter hand zou worden
genomen. Na de bespreking verdween Mister Baker.
In de recherchekamer, waar dagelijks een caleidoscoop van menselijke gedragingen
zich presenteert, merkt men het wegvallen van een enkel facet niet op. Maar op
een dag misten we hem en ik besloot hem eens op te zoeken om te zien waarom
Mister Baker zijn regelmatige bezoeken had onderbroken.
Op mijn bellen werd de deur opengedaan door een oud dametje.
'Ik kom voor Mister Baker.'
Ze schudde haar hoofd.
'Hier woont geen Mister Baker.'
'Het is een oud heertje,' verduidelijkte ik. 'Hij kwam elke veertien dagen bij
ons en nu hebben wij...'
'Oh, maar dan bent u van de recherche. Komt u binnen. Meneer Driessen ging voor
hij ziek was elke veertien dagen naar de recherche.'
'Hoe is het met hem?' vroeg ik.
Ze weifelde even. 'Hij is gisteren begraven. Hij heeft jaren bij mij op kamers
gewoond. Ik was erg aan hem gehecht geraakt. Hij was ook zo'n keurige man.' Ze
stond er even wat stil bij.
'Weet u,' zei ze na een poosje, 'hij ging zo graag naar de recherche. Hij had er
zo'n plezier in.'
'Hoezo?' vroeg ik.
Ze keek naar mij op. 'Jullie aan de Warmoesstraat dachten dat hij een beetje
zonderling was.'
'Dat was hij toch?'
Ze schudde het grijze hoofd. 'Welnee. Hij deed maar alsof. Hij vond het
heerlijk, dat spelletje met jullie te spelen. Het was voor hem een verrukking,
dat jullie zoveel notitie van hem namen. Als hij van een bezoek aan jullie
terugkwam, vertelde hij mij hoe het was gegaan.' Er kwamen kleine pretlichtjes
in haar ogen. 'We hadden dan veel plezier samen.'
Ik glimlachte wat zoetzuur. 'Hij heette dus Driessen en kwam helemaal niet uit
Engeland?'
'Welnee, hij was een echte Amsterdammer... geboren en getogen... nooit in
Engeland geweest... zelfs niet met vakantie.'
Ze schuifelde van mij vandaan naar een oud penantkastje en kwam terug met een
pakje.
'Dat is een cadeau. Ik moest het naar jullie brengen. Ik heb dat meneer Driessen
beloofd, toen hij nog ziek was.'
Ik pakte het pakje aan en nam afscheid. Op het bureau, te midden van de andere
rechercheurs, maakte ik het open. Het was een wekkertje... goudkleurig met ronde
wijzerplaat en Arabische cijfers... waarde zeker zeventien gulden.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|