|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Het tiende kind De vrouw die op een sombere maandagavond op de stoel
naast mijn bureau neerstreek, kon men echt niet van ziekelijke nieuwsgierigheid
verdenken. Ze had lang gewacht,
geaarzeld, voordat ze met de resultaten van haar waarnemingen naar de recherche
stapte. Ze keek wat beangst de kamer rond of er iemand meeluisterde en boog zich
toen vertrouwelijk naar mij toe.
'Moet u eens luisteren, meneer. Ik eh...' Ze stokte, verschoof iets op haar
stoel en veegde met haar handschoen een onzichtbaar stofje van mijn bureau. 'Ik
eh...'
'Toe maar,' moedigde ik aan.
Op haar gezicht verscheen een smartelijke trek. Het kostte haar kennelijk moeite
mij te vertellen wat ze op haar hart had.
'Toe maar,' herhaalde ik.
Ze schudde vertwijfeld haar hoofd; was het blijkbaar nog niet met zich zelf
eens.
Ik keek haar van opzij aan. Onderzoekend. Ik schatte haar op voor in de vijftig.
Een lange, magere, wat schonkige vrouw in een wijde camelkleurige mantel. Ze had
een vaalbruin gezicht en grote fletsblauwe ogen. Ze staarden dromerig langs mij
heen in het niets.
Ik glimlachte haar toe.
'U zou mij wat vertellen...'
'Ja,' zei ze weifelend, 'het moet. Ik moet het kwijt. Ziet u, meneer, feitelijk
ben ik geen verraadster. Ik bedoel... ik loop niet "zomaar" naar de politie.
Begrijpt u... ik vertel
geen verhaaltjes.'
'Dat heeft ook weinig zin,' reageerde ik.
Ze knikte overtuigend.
'Precies... dat zeg ik ook. Jullie hebben het aan de Warmoesstraat druk genoeg,
denk ik. Ik was ook nooit gekomen als het niet zo verschrikkelijk was.'
'Wat?'
Ze streek met haar tong langs haar droge lippen.
'Van die kinderen.'
Ik keek haar niet-begrijpend aan. 'Welke kinderen?'
Ze zuchtte diep. 'Je begint nooit met het slechtste van de mensen te denken,
nietwaar? Dat is nooit goed. Ik heb in het begin dan ook gedacht dat het kind
direct na de geboorte naar een ziekenhuis was gebracht, of opgenomen in een of
andere inrichting. Dat gebeurt wel meer... als zo'n kindje niet goed is... Ik
zag er toen ook nog niets vreemds in. Ziet u, dat kwam pas bij het tweede.'
'Tweede... wat?'
'Kind... of eigenlijk was het hun tiende.'
Ik kneep mijn ogen even dicht. Sommige mensen hebben een wat chaotische
verteltrant.
'Over wie spreekt u nu?' informeerde ik voorzichtig.
Ze gebaarde heftig voor zich uit.
'Over mijn buren. Toen ik ongeveer twee jaar geleden naast hen kwam wonen, liep
zij "op alle dagen".'
'Buurvrouw was zwanger,' stelde ik laconiek.
'Ja, van haar negende. Ze had al acht kinderen. Vijf jongens en drie meiden.'
Ik knikte begrijpend. 'En dat negende kind is direct na de geboorte opgenomen in
een ziekenhuis of inrichting?'
Ze trok een dwarse denkrimpel in haar voorhoofd. 'Dat dacht ik. Ziet u, ik heb
dat negende kind nooit gezien. Het bleven er acht. Er kwam er geen bij.' Ze
pauzeerde even.
'Het is een wat raar gezin, meneer. Niet het slag mensen waar ik graag mee
omga.'
'U hebt nooit gevraagd waar dat negende kind is gebleven?'
Ze schudde haar hoofd. 'Ik heb het haar nooit gevraagd. Als buren kom je elkaar
natuurlijk weleens tegen, op de trap, of bij de deur. Ik heb het vaak op mijn
tong gehad het haar te vragen, maar ik dacht steeds... als het kindje nu eens
niet goed is... ongelukkig... dan praatje daar als moeder niet graag over.
Begrijpt u?'
Ik knikte. 'U had het nog over een tweede kind.'
Ze schoof haar stoel iets achteruit; ging er eens goed voor zitten. 'Een goed
jaartje later was het weer zover.'
'Het tiende?'
'Ja, inderdaad, dat had dan hun tiende moeten worden. Ik heb het kind één nacht
horen huilen... daarna nooit meer.'
Ik slikte. 'En u hebt het kind nadien ook nooit meer gezien?'
'Nee, het verdween... net als het vorige kind.'
'Dat is nu een jaar geleden?'
'Ja.'
'U hebt er de politie destijds niet van in kennis gesteld?'
'Nee.'
'Waarom komt u dan nu?'
Op haar vale wangen verscheen een kleur. 'Ze is vorige week opnieuw bevallen.'
'En?'
Ze staarde voor zich uit. 'Ik weet dat er een kind is. Ik heb het de
verpleegster gevraagd. Een meisje van zeseneenhalf pond.' Ze kneep haar dunne
lippen op elkaar. 'Ik hoor het niet, meneer... ik hoor het niet. Nachten heb ik
wakker gelegen. Geluisterd. Ik weet hoe het geluid van baby's is. Ik ken het. Ik
heb zelf drie kinderen grootgebracht. Het is er niet meer... de baby. Het kind
is verdwenen... net als de anderen.'
Toen de vrouw weg was, bepeinsde ik geruime tijd wat ik doen zou. Het was een
alarmerend verhaal, dat op een goede waarneming berustte. Misschien bestond er
een
aannemelijke verklaring voor het verdwijnen van de kinderen. Misschien ook niet.
Misschien was hier sprake van een gruwelijk misdrijf. Uit mijn herinnering
doemde een recent geval op van een man en een vrouw die hun kinderen
onmiddellijk na de geboorte om het leven brachten en de lichaampjes in hun
achtertuin begroeven. Ik besloot niet lang te wachten. Ik vroeg medewerking van
een collega. Samen gingen we naar het adres dat de vrouw ons had gegeven.
We maakten de buitendeur met een loper open en gingen langs een krakende trap
omhoog. Toen we voor de goede woningdeur stonden, klopten we luid, indringend.
De deur werd opengedaan door een jochie van een jaar of tien, dat ons met een
paar grote bruine ogen verbaasd vragend aankeek.
'Is vader thuis?'
Het jochie antwoordde niet, draaide zich met de kruk in de hand half om en
krijste: 'Vader, twee mannen.'
Ik duwde de deur wat verder open. De kamer zag er onverzorgd uit. Flarden behang
hingen van de muur. Op de grond, op vervuilde bedjes, sliepen kinderen. Er was
vrijwel
geen meubilair. Een ruwe tafel, een kale bank en een paar oude pluche stoelen,
waarvan de veren uit de zittingen staken. In een hoek van de kamer, op een
sierlijk tafeltje,
stond een splinternieuwe kleuren-TV. Het fraaie toestel vormde zo'n schril
contrast met de rest, dat ik er met verbijstering naar keek.
Vanuit een achtervertrek kwam een man. Een goede veertiger met een nog
weelderige haardos. Hij sjorde zijn broek wat op en wenkte.
'Kom binnen,' riep hij joviaal. 'Kijk maar niet naar de rotzooi om je heen. Ik
heb de boel nog niet opgeruimd. Gewoon geen tijd. Mijn vrouw ligt in de kraam en
zo'n
mens vraagt toch ook haar verzorging.' Hij kwam wat dichterbij en nam ons
nauwkeuriger op. 'Wie zijn jullie eigenlijk? Wat komen jullie doen?'
Ik krabde in mijn nek. 'Wij zijn van de recherche van het bureau Warmoesstraat,'
zei ik wat aarzelend. 'We . . . eh, we komen op kraamvisite.'
Het was de eerste de beste leugen die mij inviel.
De man keek mij wat argwanend aan. 'Kraamvisite?'
Ik knikte. 'We hadden gehoord dat uw vrouw weer was bevallen. We kwamen de baby
bekijken.'
'O.' Het klonk wat benepen.
'Tenzij u bezwaren hebt.'
Hij zuchtte en schudde het hoofd. 'Ga maar mee.'
Hij liep voor ons uit naar de achterkamer.
In het schijnsel van een roze schemerlamp lag groot, breed, een kolossale vrouw.
Ze lag op haar rug, de armen onder het hoofd, en vulde bijna het hele bed.
Binnen handbereik lag een volle doos bonbons. Op een wit, smoezelig nachtkastje
stonden een grote schaal met fruit en enige flessen wijn.
De man ging op een stoel naast het bed zitten.
'De heren kwamen voor de baby,' legde hij uit.
De vrouw glimlachte. 'Dan moeten ze hier niet zijn,' kirde ze.
'Waar dan?' vroeg ik.
Ze wendde zich tot haar man. 'Hoe heet dat plaatsje ook weer, Willem? Bennebroek...
Bennekom?'
De man scharrelde in een laatje van het nachtkastje. 'Het is Bennekom ... ik heb
het adres ergens op een briefie.'
'In Bennekom? Wat moet de baby in Bennekom?'
Hij keek naar mij op. 'We hebben het verkocht.'
'Wat?'
'Ja, voor vijfentwintighonderd gulden. Het was een goeie prijs. Dat kan ik u
zeggen. Voor Wimpie hebben we niet meer dan duizend gulden gekregen.'
Ik keek hem verdwaasd aan. 'Wimpie?'
Hij knikte. 'Dat was de vorige. We wisten toen nog niet dat er zoveel vraag
was.' Hij keek vertederd in de richting van zijn vrouw. 'Het wordt ons
langzamerhand wel te veel. We kunnen het niet meer aan. De een recommandeert de
ander. We hebben nu al een bestelling voor volgend jaar... een kinderloos
echtpaar uit Groningen.'
In een soort schemertoestand wandelden we terug naar de Warmoesstraat, mijn
collega en ik, en belden vandaar met de 'kopers' - mensen die ons angstig te
woord stonden. We beloofden niets - konden dat ook niet - en schreven een
rapport.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|