|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Inbraak maakt gelukkig
Een inbraak was vroeger een ernstig misdrijf. Dat is
het nog, maar inbraken komen tegenwoordig zo veelvuldig voor, dat de
afwikkeling door de recherche is vervlakt tot een reeks
routinehandelingen. Het is de schuld van de krakers. Er zijn geen
echte inbrekers meer. Het is een uitstervend gilde.
Vroeger was voor de recherche een inbreker een tegenstander van
formaat, een vakman, een man met lef en inzicht. Een man ook, die
zijn daad zorgvuldig voorbereidde en wist welke revenuen hem
eventueel te wachten stonden. Hij bezat de ernst en toewijding van
een 'dief-van-Washington'.
Wekenlang observeerde hij het object en wist bij het betreden van
het operatieterrein haarfijn welke omstandigheden hij zou
aantreffen. Bovendien hield hij zich aan de code, het oude
gildedevies: verzet je nooit tegen een politieman, een bewaker, of
wie je ook overloopt. Watje ook doet, bezorg een medemens nooit pijn
of letsel. Met andere woorden : gebruik nooit geweld.
Ik ken nog een paar van die oude inbrekers. Ze gaan niet meer op
pad, bang om met de huidige generatie van krakers op één lijn te
worden gesteld.
En ze hebben gelijk. De kraker van nu is een wilde, dilettanterige,
niets en niemand ontziende vernieler, die bij zijn rooftocht door
huizen en scholen, kantoren en fabrieken zijn zucht naar vandalisme
botviert. Als men ziet hoe fraaie brandkasten met botte boren worden
bewerkt, dan is het om te huilen. Men zou die jongens naar de lts
willen sturen. Niet dat die uiterst nuttige instelling louter
krakers voortbrengt, maar omdat men toch wel eerst iets van
metaalbewerking dient te weten, voordat men een brandkast te lijf
gaat.
Op een enkele uitzondering na, is de huidige kraker een domme en
vooral gevaarlijke indringer. Dat gevaar schuilt in zijn
onwetendheid. Omdat hij geen voorbereiding meer kent, weet hij niet
wat hem in het binnengedrongen pand te wachten staat. Uit
onzekerheid en angst zal hij bij het minste gerucht toeslaan. Het
oude gildedevies wordt al lang niet meer gehanteerd.
Het was een kille maandagmorgen in december, zo tussen Sinterklaas
en kerst. Ik was inbraken-man. Dat zijn wij bij toerbeurt. Het
betekent dat men als rechercheur alle binnenkomende meldingen van
inbraken moet behandelen. Ik had er die morgen zeven; oogst van een
weekend met lange, donkere nachten.
Ik had ze op een lijstje gezet in een zo economisch mogelijke route.
Ik had al drie inbraken behandeld - onbehouwen breekwerk met weinig
fantasie en baten - toen ik als vierde op mijn lijstje stopte bij
een kleine zaak in galanterieën. De winkeldeur was ruw geforceerd.
Men had zo aan de deurlijst gewrongen, dat de dikke ruit was
gesprongen. Achter een kleine toonbank, dicht bij elkaar, stonden
wat zielig een man en een vrouw. Ik schatte hen op achter in de
veertig, al wat gebogen, opgebrand in een leven van hard werken. Op
hun moede gezichten lag een verslagen uitdrukking.
'U bent van de politie?'
Ik knikte en trok mijn notitieboekje.
'Ze hebben alles meegenomen,' zei de man triest. 'Al ons geld.'
'Veel?' vroeg ik.
De man zuchtte omstandig. 'De ontvangsten van zaterdag. Een dikke
drieduizend gulden, schat ik.' Hij maakte een bijna
verontschuldigend gebaartje. 'We moeten het van de zaterdag hebben.
In de week is het niet veel.'
'Waarom laat u het geld in de kassa?'
Hij stak een vinger omhoog.
'We wonen hierboven. Ziet u, er bestaat voor ons niet zo'n groot
verschil tussen de woning en de winkel. Het is allebei ons huis.'
Ik knikte begrijpend en maakte aantekeningen.
'Wanneer is het gebeurd?'
De vrouw die tot nu toe niets had gezegd, keek op.
'Kwart over twee,' zei ze.
'Hoe laat?' vroeg ik.
'Kwart over twee,' herhaalde ze wat onzeker.
'Precies?'
'Ja, toen kwamen ze binnen.'
Ik keek haar wat schuins aan. 'U... eh, u hebt ze gehoord?'
Ze knikte nauwelijks merkbaar.
'Waarom hebt u de politie niet gebeld?'
Ze knikte met haar hoofd naar een toestel aan de wand. 'De telefoon
is in de winkel.'
In de ogen van de man naast haar groeide verbazing.
'Dat heb je mij niet verteld,' zei hij.
Ze schudde traag het hoofd. 'Het is ook niet zo belangrijk.'
De man slikte en zijn rechterneusvleugel trilde. 'Niet zo
belangrijk,' herhaalde hij geprikkeld. 'Niet zo belangrijk.'
Hij gebaarde wat wild om zich heen. 'Moet je die rotzooi eens zien.
Waarom heb je mij niet wakker gemaakt?'
Ze kauwde op haar onderlip. 'Wat had je gedaan?'
'Gedaan? Ik was erop afgegaan.'
Ze knikte voor zich uit. 'Daar was ik bang voor.'
'Wat?'
'Dat je naar beneden zou gaan. Dat je ze te lijf zou gaan, de
inbrekers. Daar was ik bang voor.'
Ze zweeg even.
'Ik hoorde ze komen. Ik hoorde hoe ze de deur openbraken en door de
winkel scharrelden. Ik heb... eh, ik heb er echt een moment aan
gedacht je wakker te maken. Het was mijn eerste impuls. Maar toen ik
mijn hand aan je schouder had om je te wekken, dacht ik plotseling
aan alles wat er in de winkel was... geld, goed... en dat woog ik
af... af tegen hetgeen jij mij waard was.'
Er gleed een glans van vertedering over haar gezicht.
'Het was geen moeilijke keus. Daarom liet ik je schouder los en
hield mij stil... doodstil en bad de goeie God, dat je door het
lawaai beneden niet wakker zou worden. In die momenten heb ik voor
het eerst na jaren weer eens beseft hoeveel ik van je houd.'
De man keek haar aan. Zijn wat dikke onderlip beefde.
Langzaam strekte hij zijn hand naar haar uit.
Ik begreep dat ik overbodig was geworden, dat ik er niet meer in
paste, dat die hele inbraak in feite niets te betekenen had. Ik
sloop zonder te groeten de winkel uit. Ze merkten het niet eens. Bij
de deur keek ik nog even om.
Ze stonden dicht bij elkaar die twee... dichter dan toen ik was
gekomen.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|