Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 56

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 1
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

De insluiper

 

Ik keek naar de jongeman, die door twee agenten de recherchekamer werd binnengebracht. Ik schatte hem op tweeëntwintig, drieëntwintig jaar. Hij had mooi, lang, donker golvend haar, dat tot zijn schouders reikte. Het omlijstte een zacht, bijna vrouwelijk gelaat, waarin grote diepbruine ogen. Hoewel de stellingen van Lombroso reeds lang zijn achterhaald, had ik toch moeite de jongeman in verband te brengen met misdaad. 'Wat heeft hij gedaan?' 
Een van de agenten gaf mij een proces-verbaal. 'Daar staat het allemaal in.'
Ik nam het proces-verbaal over, bedankte de agenten en liet de jongeman op de stoel naast mijn bureau plaats nemen. 'Wat heeft u gedaan?' vroeg ik vormelijk. Hij klemde zijn lippen op elkaar en zweeg. Ik nam het proces-verbaal en begon te lezen. Het bleek dat de jongeman werd beschuldigd van insluiping. Hij was midden in de nacht om twee uur door de bewoner aangetroffen in een huis aan de Marnixstraat. De man had gestommel gehoord, was gaan kijken en had de jongeman na een korte worsteling in de gang overmeesterd. Daarna had hij hem overgeleverd aan de politie. 'Wat moest u daar doen?' 
Hij keek mij aan, maar antwoordde niet. 'Oké,' zei ik. 'Het is uw goed recht.' Ik bracht hem naar het verhoorkamertje en deed de deur op slot. Na een kwartiertje kwam een zwaargebouwde man de recherchekamer binnen. Hij droeg een stemmig blauw kostuum. Boven een strakke boord met grijze das stond een gestreng uiterlijk. 'Ik kom voor de jongeman die ik vannacht in mijn huis heb gegrepen.' 
Ik knikte. 'Vermist u iets?'
Hij schudde zijn hoofd. 'Daar zal hij geen tijd voor gehad hebben. Ik had hem direct te pakken.'
'Hoe is hij binnengekomen?'
De man trok zijn schouders op. 'Dat weet ik niet. Ik heb goede sloten op mijn deuren. Maar dat geboefte weet er wel raad op.'
'Zijn uw sloten verbroken?'
'Nee, die zijn nog geheel intact. Daar mankeert niets aan. Alleen was de buitendeur niet meer op het nachtslot. Hij moet een valse sleutel hebben gehad.'
Ik nam een formele aangifte op en stuurde de man weg. Daarna onderzocht ik de fouillering van de jongeman. Er was geen sleutel en ook niets waarmee een slot was te openen. Ik ging terug naar het verhoorkamertje. 'Hoe bent u binnengekomen?' vroeg ik wat kriegel. Hij antwoordde niet.
Ik wond mij een beetje op. 'Met zwijgen bereikt u in dit geval niets,' zei ik hard. 'Het lost niets op. Nogmaals... hoe kwam u binnen?' 
Hij zuchtte. 'Ik werd opengedaan.' 
'Door wie?' 
'DoorAnnie.' 
'En wie is Annie?'
'Mijn meisje. We kennen elkaar al heel lang. Haar vader is nogal streng. Hij houdt haar erg kort. Hij wil ook niet dat ze met jongens omgaat. Daarom doen we het stiekem. Toen hij mij vannacht betrapte, durfde ik niets te zeggen. Ik wilde Annie niet in moeilijkheden brengen.' 
'Waar is Annie nu?' 
'Op kantoor.'
Ik belde haar en liet haar komen. Wat nerveus stapte ze de recherchekamer binnen. Toen ik de deur van het verhoorkamertje opendeed, viel ze hem om de hals en huilde. 'Ik wist niet wat ik moest doen vannacht,' zei ze snikkend. Na een poosje keek ze naar mij op. 'Mag ik hem meenemen?' Ik knikte en zag toe hoe ze dicht tegen elkaar geleund wegliepen.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week