Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 53

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 7
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1995

 

Arrestatie met humor

 

Het feit dat een rechercheur in burger gekleed gaat, maakt hem nog geen burger. Deze stelling gaat zeker op voor mensen die de bevolking graag in twee groepen willen verdelen, namelijk politie en burgerij. Het onderscheiden van deze beide groepen betekent voor hen vaak het verschil tussen de vrijheid en de gevangenis. Daaruit is te verklaren dat zij een soort zesde zintuig hebben ontwikkeld, dat hen in staat stelt een agent-in-burger onmiddellijk van een gewone burger te onderscheiden. Zij ruiken het.
Vanaf het moment dat een rechercheur zijn eerste wankele stappen in zijn moeilijke beroep doet, is hij gebrandmerkt als een 'stille' of een 'rus'. Hij kan dan net zo goed op borst en rug een bordje hangen met de woorden: 'Hier loopt een rechercheur.' Het resultaat zou hetzelfde zijn, want iedereen die daar belang bij heeft, kent zijn houding, loop en gestalte. Een rechercheur die meent dat zijn colbertjasje hem tot een gewone burger maakt, is een dwaas. Elke blik, elk gebaar en elke draad van het kostuum dat hij draagt, ademen het Wetboek van Strafrecht. Er is geen ontkomen aan, en het beste dat hij kan doen is zich erbij neer te leggen en de schijnvertoning voort te zetten.

 

Toen de jonge leerling-rechercheur de gelagkamer van het logement in de oude binnenstad betrad, verstomden de gesprekken en explodeerde de stilte. Hij keek rond en ontmoette vijandige blikken en stuurse gezichten. De aanwezigen in de gelagkamer vormden een eenheid, een gesloten front tegen hem die het waagde hun domein binnen te dringen. Want hoe onderling verdeeld logementgasten ook mogen zijn, ze hebben één ding gemeen: een instinctieve afkeer van alles wat met de overheid te maken heeft. De jonge rechercheur was de overheid, met alles wat daaraan kleefde. Hij straalde het uit.
Door de stilte liep hij naar de tapkast. Hij was zich ervan bewust dat iedere stap en ieder gebaar van hem kritisch werden gadegeslagen, en hij voelde zich als een onervaren toneelspeler die met stil spel een sterke persoonlijkheid moet uitbeelden.
Er is enige ervaring voor nodig om achteloos een indruk van zelfverzekerdheid en onaantastbaarheid te maken. De jonge rechercheur had die ervaring niet en daarom bracht die zwijgzame eenheid van haast tastbare vijandigheid hem uit zijn evenwicht. Hij struikelde. Zijn schoen haakte achter een kokosmat en hij maakte een buiteling die hem onelegant voor de tapkast bracht. 
Het zou voor hem een bevrijding hebben betekend, wanneer er na zijn buiteling een gulle lach uit die zwijgende monden had geklonken. Maar er gebeurde niets. 
Toen hij overeind was gekrabbeld, keek hij in het gezicht van Tante Marie, de logementhoudster. Zij troonde als een ongenaakbare matrone achter de tapkast, naast een pruttelende koffieketel. Iedereen die haar beter kende, wist dat dit maar een pose was. In feite was zij een zachtaardige vrouw, die onder het mom van onverschilligheid, naastenliefde in de praktijk bedreef. Er bestaan geen commissies die dit vaststellen, anders zou spontaan een leger van vrijwilligers zijn aangetreden om daarvan te getuigen.
Hoewel zij de jonge rechercheur nog nooit had gezien, vroeg ze niets, maar bukte zich en diepte van onder de tapkast het beduimelde logementregister op, dat ze met een klap voor hem op de tapkast wierp. 
De jonge rechercheur wilde bewijzen wie hij was en haalde uit zijn binnenzak een gloednieuw legitimatiebewijs. 
Zij wuifde het weg. 'Laat maar zitten, jongen,' zei ze. Het was van haar kant een poging om hem op zijn gemak te stellen. 
Maar de gemoedelijke, haast moederlijke toon waarop zij het woord 'jongen' had uitgesproken, was niet bevorderlijk voor het reeds geschokte zelfvertrouwen van de jonge rechercheur. Hij had zich zijn rol zo heel anders voorgesteld. Met wat meer glans. Hij had graag gebruik gemaakt van dat mooie nieuwe legitimatiebewijs. Het achteloos tonen daarvan had hij meermalen voor zichzelf gerepeteerd. En nu wuifde die vrouw dat alles met een simpel handgebaar weg en zei: 'Laat maar zitten, jongen.' Om zich een houding te geven begon hij in het logementregister te bladeren. De namen waren echter met zulke onregelmatige hanepoten ingevuld, dat hij er geen wijs uit kon worden.
Tante Marie zag dat en vroeg vriendelijk: 'Wie moet je hebben?'
'Ik zoek ene Arie Schelvis,' zei hij. 
'Die slaapt op zaal 5, derde bed vanaf het raam.' 
'Mag ik even gaan kijken?' vroeg hij. 
'Ga je gang, jongen.'
De jonge rechercheur was blij de gelagkamer te kunnen verlaten. In het logementje zocht hij zich een weg door de doolhof van gangetjes, trappen en portalen. Toen hij na veel moeite zaal 5 had gevonden, stapte hij resoluut naar binnen. Bevrijd van de kritische blikken uit de gelagkamer, voelde hij langzaam zijn zelfvertrouwen terugkomen.
In zaal 5 hing een weeë lucht van lysol en zweet. De bedden, die er zindelijk uitzagen, waren keurig opgemaakt. Alleen op het derde bed vanaf het raam sliep een man. Hij lag geheel gekleed op de dekens en snurkte zwaar met piepende bijgeluidjes.
Toen de jonge rechercheur dichterbij kwam, rook hij de dranklucht die de man uitwalmde. Hij greep een been en begon te schudden. 'Hé, wakker worden!' riep hij. 
De regelmaat in het eentonige gesnurk stokte even, maar algauw klonk weer het vroegere ritme. 
Toen nog een paar pogingen om de man te wekken op niets waren uitgelopen, ging de jonge rechercheur mismoedig naast de slapende man op het bed zitten en dacht na. Hij bevond zich in een uiterst moeilijk parket. Als leerling moest hij nog bewijzen dat hij geschikt was voor het edele beroep van rechercheur. Dit bewijs wilde hij dolgraag leveren. Al maanden had hij op een kans gewacht om te tonen wat hij waard was.
Zijn leermeester, een oudere, in de dienst vergrijsde rechercheur, had hem met een nonchalance als gold het een kleinigheid de opdracht gegeven Arie Schelvis uit het logementje te halen. Arie had zich namelijk voor een diefstalletje te verantwoorden. De opdracht had hem zelf ook heel simpel geleken, want wat is er eenvoudiger dan een mannetje op te halen?
Op de cursus had hij geleerd hoe een dergelijke opdracht te behandelen. De werkwijze was eenvoudig. Je gaat naar het logement. Je legitimeert je als rechercheur. Je vraagt naar het logementregister. In dat register staat dan de naam, met daarachter het nummer van de kamer. Dan ga je naar die kamer en zegt, nadat je je weer hebt gelegitimeerd, tegen de man: 'U gaat mee naar het bureau.' Dat is alles. Dat de praktijk soms listen en lagen legt waarop de theorie geen antwoord geeft, was hem inmiddels wel duidelijk geworden. Bepaald 'groots' was zijn optreden in de gelagkamer niet geweest, en nu werd hij opnieuw voor een probleem gesteld waarin de theorie niet voorzag. Want hoe kreeg hij die slapende man naar het bureau? Er was geen beweging in te krijgen. Het idee om onverrichter zake terug te keren verwierp hij. Dat was zijn eer te na. Trouwens, zo overwoog hij, wat zou hij als verontschuldiging kunnen aanvoeren?
Met een zucht stond hij op en begon opnieuw aan de slapende figuur te sjorren. De man was kennelijk dronken en lag zijn roes uit te slapen. Met veel moeite lukte het hem de zware kerel in een zittende houding te brengen.
Na lang schudden opende de man eindelijk zijn ogen en keek de jonge rechercheur in een moment van helderheid aan. 'O,' zei hij, 'een rus.' Hij achtte het blijkbaar niet de moeite waard daarvoor zijn slaap te onderbreken, want hij viel onmiddellijk weer horizontaal.
'Hé, u moet mee naar het bureau!' riep de jonge rechercheur, terwijl hij hem weer overeind trok.
De man begreep niet, of wilde niet begrijpen, wat de jonge rechercheur van hem verlangde en hij voelde er blijkbaar niets voor blijhartig zijn medewerking te verlenen. Ten slotte liet hij zich toch, hoewel luid protesterend, uit de slaapzaal leiden.
Via de gang kwamen ze bij een trapje. Het transport van de dronken man langs dat trapje was een ware kwelling voor de rechercheur. Hij voelde zich verantwoordelijk voor het welzijn van zijn arrestant en doorstond duizend angsten. Als een koorddanser met evenwichtsstoornissen wiegde de dronken man over de treden en elk moment dreigde hij van de trap te storten. Bij de laatste treden duikelde hij voorover. In een reflex greep de jonge rechercheur hem nog net bij zijn kraag. Door de ruk aan die kraag verloor de man zijn evenwicht. Toen de traptreden hem geen houvast meer boden, gleed hij langzaam uit zijn jas, die als een leeg omhulsel in de handen van de verbijsterd toeziende rechercheur achterbleef.
Met een plof kwam de dronken man in het portaaltje terecht. De schade was gelukkig gering. Voor zover waarneembaar was er niets verschoven. Alle botten zaten nog zonder kwetsuren op de juiste plaats.
De jonge rechercheur zweette uit al zijn poriën, toen het hem eindelijk was gelukt de dronken man - weer met jas aan - het logement uit te loodsen.
De straat bood nieuwe moeilijkheden. Amsterdam is geen Amsterdam zonder Amsterdammers, en Amsterdammers zouden geen Amsterdammers zijn, wanneer zij op straat geen uitbundige belangstelling toonden voor alles wat een kijkspel kan opleveren. De jonge rechercheur en zijn dronken arrestant waren dan ook al spoedig omringd door een grote schare kijklustigen. De arrestant was het intussen 'ergens' niet mee eens. Zijn benevelde brein kon er echter niet opkomen wat dat precies was. Daarom bleef hij om de twee stappen staan om een nadrukkelijk betoog te beginnen. Hij haalde dan diep adem en lalde heel langzaam en zonder enige samenhang een reeks woorden, als een experimenteel gedicht.
De jonge rechercheur verkeerde allerminst in een stemming om geduldig een declamatie van experimentele poëzie te beluisteren. Dat was dan ook de reden waarom hij voortdurend de voordracht onderbrak en de man stevig vooruitduwde.
Uit de joelende schare belangstellenden was inmiddels spontaan een deputatie naar voren gekomen, die de jonge rechercheur in zijn vaart belemmerde en dringend om een onderhoud verzocht. De jonge rechercheur, die zijn weg versperd zag, ging er noodgedwongen op in. Het bleek dat de schare vrijlating van de dronkeman eiste. De motieven waren menselijk, omdat vrijheid een goed ding is. Een van de leden van de deputatie hield over dit onderwerp een gloedvol betoog, dat niet naliet een diepe indruk op de menigte te maken. Hij eindigde zijn toespraak tot de jonge rechercheur fijntjes: 'Het kan je eigen vader toch ook overkomen?' Blijkbaar stamde hij uit een familie van drankzuchtigen.
De jonge rechercheur overwoog hoe weinig waarheid er in de opmerking schuilde, want zijn vader was al jaren overleden en bij zijn leven een overtuigde blauwe-knoopdrager.
De dronken man zwiepte nog steeds aan de arm van de jonge rechercheur. Met vertroebelde blik overzag hij de schare. Plotseling doemde uit de muffe zolderkamer van zijn herinnering een strijdkreet.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week