|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Arrestatie met humor
Het feit dat een rechercheur in burger gekleed gaat,
maakt hem nog geen burger. Deze stelling gaat zeker op voor mensen
die de bevolking graag in twee groepen willen verdelen, namelijk
politie en burgerij. Het onderscheiden van deze beide groepen
betekent voor hen vaak het verschil tussen de vrijheid en de
gevangenis. Daaruit is te verklaren dat zij een soort zesde zintuig
hebben ontwikkeld, dat hen in staat stelt een agent-in-burger
onmiddellijk van een gewone burger te onderscheiden. Zij ruiken het.
Vanaf het moment dat een rechercheur zijn eerste wankele stappen in
zijn moeilijke beroep doet, is hij gebrandmerkt als een 'stille' of
een 'rus'. Hij kan dan net zo goed op borst en rug een bordje hangen
met de woorden: 'Hier loopt een rechercheur.' Het resultaat zou
hetzelfde zijn, want iedereen die daar belang bij heeft, kent zijn
houding, loop en gestalte. Een rechercheur die meent dat zijn
colbertjasje hem tot een gewone burger maakt, is een dwaas. Elke
blik, elk gebaar en elke draad van het kostuum dat hij draagt,
ademen het Wetboek van Strafrecht. Er is geen ontkomen aan, en het
beste dat hij kan doen is zich erbij neer te leggen en de
schijnvertoning voort te zetten.
Toen de jonge leerling-rechercheur de gelagkamer van
het logement in de oude binnenstad betrad, verstomden de gesprekken
en explodeerde de stilte. Hij keek rond en ontmoette vijandige
blikken en stuurse gezichten. De aanwezigen in de gelagkamer vormden
een eenheid, een gesloten front tegen hem die het waagde hun domein
binnen te dringen. Want hoe onderling verdeeld logementgasten ook
mogen zijn, ze hebben één ding gemeen: een instinctieve afkeer van
alles wat met de overheid te maken heeft. De jonge rechercheur was
de overheid, met alles wat daaraan kleefde. Hij straalde het uit.
Door de stilte liep hij naar de tapkast. Hij was zich ervan bewust
dat iedere stap en ieder gebaar van hem kritisch werden
gadegeslagen, en hij voelde zich als een onervaren toneelspeler die
met stil spel een sterke persoonlijkheid moet uitbeelden.
Er is enige ervaring voor nodig om achteloos een indruk van
zelfverzekerdheid en onaantastbaarheid te maken. De jonge
rechercheur had die ervaring niet en daarom bracht die zwijgzame
eenheid van haast tastbare vijandigheid hem uit zijn evenwicht. Hij
struikelde. Zijn schoen haakte achter een kokosmat en hij maakte een
buiteling die hem onelegant voor de tapkast bracht.
Het zou voor hem een bevrijding hebben betekend, wanneer er na zijn
buiteling een gulle lach uit die zwijgende monden had geklonken.
Maar er gebeurde niets.
Toen hij overeind was gekrabbeld, keek hij in het gezicht van Tante
Marie, de logementhoudster. Zij troonde als een ongenaakbare matrone
achter de tapkast, naast een pruttelende koffieketel. Iedereen die
haar beter kende, wist dat dit maar een pose was. In feite was zij
een zachtaardige vrouw, die onder het mom van onverschilligheid,
naastenliefde in de praktijk bedreef. Er bestaan geen commissies die
dit vaststellen, anders zou spontaan een leger van vrijwilligers
zijn aangetreden om daarvan te getuigen.
Hoewel zij de jonge rechercheur nog nooit had gezien, vroeg ze
niets, maar bukte zich en diepte van onder de tapkast het beduimelde
logementregister op, dat ze met een klap voor hem op de tapkast
wierp.
De jonge rechercheur wilde bewijzen wie hij was en haalde uit zijn
binnenzak een gloednieuw legitimatiebewijs.
Zij wuifde het weg. 'Laat maar zitten, jongen,' zei ze. Het was van
haar kant een poging om hem op zijn gemak te stellen.
Maar de gemoedelijke, haast moederlijke toon waarop zij het woord
'jongen' had uitgesproken, was niet bevorderlijk voor het reeds
geschokte zelfvertrouwen van de jonge rechercheur. Hij had zich zijn
rol zo heel anders voorgesteld. Met wat meer glans. Hij had graag
gebruik gemaakt van dat mooie nieuwe legitimatiebewijs. Het
achteloos tonen daarvan had hij meermalen voor zichzelf gerepeteerd.
En nu wuifde die vrouw dat alles met een simpel handgebaar weg en
zei: 'Laat maar zitten, jongen.' Om zich een houding te geven begon
hij in het logementregister te bladeren. De namen waren echter met
zulke onregelmatige hanepoten ingevuld, dat hij er geen wijs uit kon
worden.
Tante Marie zag dat en vroeg vriendelijk: 'Wie moet je hebben?'
'Ik zoek ene Arie Schelvis,' zei hij.
'Die slaapt op zaal 5, derde bed vanaf het raam.'
'Mag ik even gaan kijken?' vroeg hij.
'Ga je gang, jongen.'
De jonge rechercheur was blij de gelagkamer te kunnen verlaten. In
het logementje zocht hij zich een weg door de doolhof van gangetjes,
trappen en portalen. Toen hij na veel moeite zaal 5 had gevonden,
stapte hij resoluut naar binnen. Bevrijd van de kritische blikken
uit de gelagkamer, voelde hij langzaam zijn zelfvertrouwen
terugkomen.
In zaal 5 hing een weeë lucht van lysol en zweet. De bedden, die er
zindelijk uitzagen, waren keurig opgemaakt. Alleen op het derde bed
vanaf het raam sliep een man. Hij lag geheel gekleed op de dekens en
snurkte zwaar met piepende bijgeluidjes.
Toen de jonge rechercheur dichterbij kwam, rook hij de dranklucht
die de man uitwalmde. Hij greep een been en begon te schudden. 'Hé,
wakker worden!' riep hij.
De regelmaat in het eentonige gesnurk stokte even, maar algauw klonk
weer het vroegere ritme.
Toen nog een paar pogingen om de man te wekken op niets waren
uitgelopen, ging de jonge rechercheur mismoedig naast de slapende
man op het bed zitten en dacht na. Hij bevond zich in een uiterst
moeilijk parket. Als leerling moest hij nog bewijzen dat hij
geschikt was voor het edele beroep van rechercheur. Dit bewijs wilde
hij dolgraag leveren. Al maanden had hij op een kans gewacht om te
tonen wat hij waard was.
Zijn leermeester, een oudere, in de dienst vergrijsde rechercheur,
had hem met een nonchalance als gold het een kleinigheid de opdracht
gegeven Arie Schelvis uit het logementje te halen. Arie had zich
namelijk voor een diefstalletje te verantwoorden. De opdracht had
hem zelf ook heel simpel geleken, want wat is er eenvoudiger dan een
mannetje op te halen?
Op de cursus had hij geleerd hoe een dergelijke opdracht te
behandelen. De werkwijze was eenvoudig. Je gaat naar het logement.
Je legitimeert je als rechercheur. Je vraagt naar het
logementregister. In dat register staat dan de naam, met daarachter
het nummer van de kamer. Dan ga je naar die kamer en zegt, nadat je
je weer hebt gelegitimeerd, tegen de man: 'U gaat mee naar het
bureau.' Dat is alles. Dat de praktijk soms listen en lagen legt
waarop de theorie geen antwoord geeft, was hem inmiddels wel
duidelijk geworden. Bepaald 'groots' was zijn optreden in de
gelagkamer niet geweest, en nu werd hij opnieuw voor een probleem
gesteld waarin de theorie niet voorzag. Want hoe kreeg hij die
slapende man naar het bureau? Er was geen beweging in te krijgen.
Het idee om onverrichter zake terug te keren verwierp hij. Dat was
zijn eer te na. Trouwens, zo overwoog hij, wat zou hij als
verontschuldiging kunnen aanvoeren?
Met een zucht stond hij op en begon opnieuw aan de slapende figuur
te sjorren. De man was kennelijk dronken en lag zijn roes uit te
slapen. Met veel moeite lukte het hem de zware kerel in een zittende
houding te brengen.
Na lang schudden opende de man eindelijk zijn ogen en keek de jonge
rechercheur in een moment van helderheid aan. 'O,' zei hij, 'een
rus.' Hij achtte het blijkbaar niet de moeite waard daarvoor zijn
slaap te onderbreken, want hij viel onmiddellijk weer horizontaal.
'Hé, u moet mee naar het bureau!' riep de jonge rechercheur, terwijl
hij hem weer overeind trok.
De man begreep niet, of wilde niet begrijpen, wat de jonge
rechercheur van hem verlangde en hij voelde er blijkbaar niets voor
blijhartig zijn medewerking te verlenen. Ten slotte liet hij zich
toch, hoewel luid protesterend, uit de slaapzaal leiden.
Via de gang kwamen ze bij een trapje. Het transport van de dronken
man langs dat trapje was een ware kwelling voor de rechercheur. Hij
voelde zich verantwoordelijk voor het welzijn van zijn arrestant en
doorstond duizend angsten. Als een koorddanser met
evenwichtsstoornissen wiegde de dronken man over de treden en elk
moment dreigde hij van de trap te storten. Bij de laatste treden
duikelde hij voorover. In een reflex greep de jonge rechercheur hem
nog net bij zijn kraag. Door de ruk aan die kraag verloor de man
zijn evenwicht. Toen de traptreden hem geen houvast meer boden,
gleed hij langzaam uit zijn jas, die als een leeg omhulsel in de
handen van de verbijsterd toeziende rechercheur achterbleef.
Met een plof kwam de dronken man in het portaaltje terecht. De
schade was gelukkig gering. Voor zover waarneembaar was er niets
verschoven. Alle botten zaten nog zonder kwetsuren op de juiste
plaats.
De jonge rechercheur zweette uit al zijn poriën, toen het hem
eindelijk was gelukt de dronken man - weer met jas aan - het
logement uit te loodsen.
De straat bood nieuwe moeilijkheden. Amsterdam is geen Amsterdam
zonder Amsterdammers, en Amsterdammers zouden geen Amsterdammers
zijn, wanneer zij op straat geen uitbundige belangstelling toonden
voor alles wat een kijkspel kan opleveren. De jonge rechercheur en
zijn dronken arrestant waren dan ook al spoedig omringd door een
grote schare kijklustigen. De arrestant was het intussen 'ergens'
niet mee eens. Zijn benevelde brein kon er echter niet opkomen wat
dat precies was. Daarom bleef hij om de twee stappen staan om een
nadrukkelijk betoog te beginnen. Hij haalde dan diep adem en lalde
heel langzaam en zonder enige samenhang een reeks woorden, als een
experimenteel gedicht.
De jonge rechercheur verkeerde allerminst in een stemming om
geduldig een declamatie van experimentele poëzie te beluisteren. Dat
was dan ook de reden waarom hij voortdurend de voordracht onderbrak
en de man stevig vooruitduwde.
Uit de joelende schare belangstellenden was inmiddels spontaan een
deputatie naar voren gekomen, die de jonge rechercheur in zijn vaart
belemmerde en dringend om een onderhoud verzocht. De jonge
rechercheur, die zijn weg versperd zag, ging er noodgedwongen op in.
Het bleek dat de schare vrijlating van de dronkeman eiste. De
motieven waren menselijk, omdat vrijheid een goed ding is. Een van
de leden van de deputatie hield over dit onderwerp een gloedvol
betoog, dat niet naliet een diepe indruk op de menigte te maken. Hij
eindigde zijn toespraak tot de jonge rechercheur fijntjes: 'Het kan
je eigen vader toch ook overkomen?' Blijkbaar stamde hij uit een
familie van drankzuchtigen.
De jonge rechercheur overwoog hoe weinig waarheid er in de opmerking
schuilde, want zijn vader was al jaren overleden en bij zijn leven
een overtuigde blauwe-knoopdrager.
De dronken man zwiepte nog steeds aan de arm van de jonge
rechercheur. Met vertroebelde blik overzag hij de schare. Plotseling
doemde uit de muffe zolderkamer van zijn herinnering een
strijdkreet.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|