|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Bijlslag uit liefde
Tot 's avonds elf uur is er op elk politiebureau
altijd een rechercheur aanwezig die de dienst waarneemt. Tijdens
zo'n avonddienst zat ik alleen in de recherchekamer en mijmerde over
de vele jaren die ik al in politiedienst had doorgebracht.
'De regen is de beste diender op straat,' had eens een oude, in de
dienst vergrijsde brigadier mij gezegd, toen ik in mijn
leerlingentijd met hem in een druilerige regen mijn ronde deed. Hij
was een fijne kerel, die brigadier. Vooral de jongere agenten
mochten hem graag. Puttend uit zijn rijke ervaring gaf hij wijze
raadgevingen en niemand deed ooit tevergeefs een beroep op hem. Hij
had de gewoonte jonge dienders op zijn ronde mee te nemen en dan
doceerde hij op straat 'politie'. Hij liet zien hoe een politieagent
op straat moet handelen. Hoe hij zich moet opstellen. Hoe hij een
oploopje moet benaderen en hoe hij in ruzies moet bemiddelen. Zijn
optreden was van een milde beslistheid, waartegen geen verzet
mogelijk bleek. Achteraf geloof ik dat hij de wetten die hij moest
handhaven niet eens zo goed kende. Maar dat had hij niet nodig. De
normen die hij hanteerde, waren aangepast aan de werkelijkheid van
het dagelijkse leven.
Ik moest aan hem denken, toen ik uit het raam keek en de straten,
glimmend van de regen, eenzaam en verlaten zag. In de la van mijn
bureau lagen nog een paar zaken die ik nodig eens onder de loep
moest nemen. Ik diepte de stukken op uit mijn la en bekeek ze één
voor één. Er was een geval van verduistering bij dat nogal
gecompliceerd leek. Ik besloot daarmee te beginnen. Ik trachtte
enigszins wegwijs te worden in een kasboek, waarin een boekhouder
enige geraffineerde vervalsingen had aangebracht. Maar ik kon mijn
gedachten niet op het probleem concentreren. Ze dwaalden telkens af
en riepen beelden bij mij op uit oude zaken, die ik lang geleden had
behandeld. Intussen luisterde ik onbewust naar voetstappen in de
gang, die de komst van iemand zouden aankondigen. Soms kwamen er
gedurende de avond velen, soms bleef het stil, vooral als het
regende.
De recherchekamer ligt op de tweede verdieping. Men hoort, vooral 's
avonds, de mensen van tevoren reeds komen, wanneer zij de houten
trap opstommelen en door de lange gang naar de deur lopen.
Maar die avond was het anders. Ik geloof dat het niet de voetstappen
waren, waarnaar ik onbewust luisterde. Het was meer alsof vreemde
storingen van buitenaf het mechanisme van mijn denken in een
bepaalde richting wilden stuwen. Ik probeerde het te ontleden, maar
de code, de sleutel, ontbrak. Mijn gevoel was te grof, te ruw, om
die fijne impulsen te ontwarren. Ik spande mij tot het uiterste in
om in mijzelf datgene te beluisteren dat ongetwijfeld tot mij kwam.
Plotseling boorde zich uit mijn onderbewustzijn het besef dat iemand
mij nodig had, nu, op dit moment. Maar het was allemaal zo vaag, zo
onbestemd, zo zonder gestalte, dat het besef bleef zweven op de rand
van het onbewuste.
Ik keek op de grote elektrische klok in de recherchekamer. Het was
kwart over acht. Het onbehaaglijke gevoel van niet weten en wel
voorvoelen bleef en maakte mij onrustig. Ik schoof mijn stoel
achteruit en liep naar het raam. Het regende nog steeds. De
geveltjes spiegelden zich in het natte asfalt.
'De regen is de beste diender op straat.' De oude brigadier kwam
terug in mijn gedachten. Hij leefde niet meer. Enige jaren na zijn
pensionering is hij gestorven. 'Tot het leven behoort ook het
sterven,' had hij eens tegen mij gezegd, toen wij beiden bij een
lijk stonden dat op een bank in een park was gevonden. Het was een
vies lijk. De man had in een laatste hang naar het leven nog
geprobeerd het gif dat hij had ingenomen uit te braken. Ik
herinnerde mij het geval nog duidelijk. Het was de eerste keer dat
ik zo intensief met de dood werd geconfronteerd. Ik had er een paar
slapeloze nachten van overgehouden.
Ik ging weer aan mijn bureau zitten en probeerde mij met het
probleem van de verduistering bezig te houden. Het lukte niet. De
cijfers in het kasboek wilden zich niet laten ordenen. Ze begonnen
uit de kolommen te zweven en vermengden zich met andere cijfers tot
een magisch getal. Ik gaf het op. Ik greep de stukken bij elkaar en
wierp ze terug in de la van mijn bureau. Toen ik weer voor het raam
stond, overviel mij de gedachte dat achter al die geveltjes
menselijke hartstochten spookten. Uit een behoefte aan menselijk
contact greep ik de telefoon en belde de wachtcommandant. 'Is er nog
iets bijzonders?' vroeg ik.
'Nee,' zei een lome stem aan de andere kant van de lijn, 'het
regent.'
'Ja,' zei ik, en ik legde de hoorn weer op het toestel. Wat
mankeerde mij toch? Waarom was ik zo onrustig?
Terwijl ik daarover peinsde en verdiept was in mijn gedachten, werd
er op de deur geklopt. Ik had de voetstappen in de gang niet gehoord
en het kloppen verraste mij volkomen. Toch doorstroomde mij een
gevoel van bevrijding, toen ik het kloppen hoorde. Wie er ook aan de
andere kant van die deur stond, altijd zou het iemand zijn met een
of ander probleem. Anders had men de recherche niet nodig. Ik zou
genoodzaakt zijn mij met dat probleem bezig te houden en dat
onrustige gevoel zou dan wel verdwijnen. Ik riep 'binnen' en vond
dat mijn stem een vreemde klank had.
De deur ging langzaam open en een al oude man stapte de kamer
binnen. Hij was blootshoofds en uit zijn haren en van zijn jas
sijpelde het regenwater. De man kwam zwijgend naar mij toe. Ik keek
in het magere gezicht en ontmoette een paar vreemd glinsterende
ogen.
'Gaat u zitten,' zei ik, en ik wees op de stoel naast mijn bureau.
'U kunt beter direct met mij meegaan,' antwoordde hij.
'Wat is er aan de hand?'
'Komt u zelf maar kijken.'
Ik zag in dat het geen nut had hem nu verdere vragen te stellen. De
man zou toch niet antwoorden. Hij had iets onverzettelijks, iets
dwingends in zijn ogen, waardoor ik haast werktuiglijk mijn jas
aantrok en besloot met hem mee te gaan. Toen ik mijn bureaula
afsloot, was ik met mijn gezicht dicht bij de blauwgeaderde hand
waarmee hij op het bureau steunde. Het was zijn rechterhand. Op de
rug van die hand zat een veeg geronnen bloed. Haast mechanisch nam
ik dat in mij op, zonder een uiterlijk teken van die waarneming te
geven. Ik had gedurende mijn loopbaan als rechercheur geleerd mij te
beheersen en mijn waarnemingen eerst dan te lanceren, wanneer ik
daarvan het grootste rendement kon verwachten. Ik kon mij echter
niet geheel onttrekken aan de vreemde invloed die van de man op mij
uitstraalde, en ik had moeite mijzelf tot koele observatie te
dwingen.
We verlieten het bureau en stapten in de regen. Ik verweet mijzelf
dat ik zonder meer met deze vreemde man was meegegaan. Ik wist niet
wie hij was of waarheen hij mij voerde. De dienstdoende
wachtcommandant had ik niet op de hoogte gebracht. Als er iets met
mij gebeurde, zou niemand weten waar ik was gebleven. Ik overwoog
terug te gaan naar het bureau om assistentie te vragen. Ik zou
iemand kunnen meenemen, bijvoorbeeld een stevige diender in uniform.
Iets zei mij dit niet te doen. Langzaam begon ik mij rustiger te
voelen. Ik begreep dat het dit was waarop ik de hele avond al had
gewacht.
De oude man stapte stevig door en ik verwonderde mij over de
veerkracht van zijn tred. Ik keek hem eens van opzij aan en zag een
scherp profiel met een gebogen neus en een enigszins vooruitstekende
kin. Het natte haar hing in slierten over zijn voorhoofd.
'De regen is de beste diender op straat.' De oude brigadier had
gelijk. Op straat was de regen de beste diender. De regen hield de
mensen binnen de huizen en op straat was dan niet veel meer te doen.
Maar wat gebeurde er achter al die geveltjes, die aaneengeregen de
straat vormden waarin de man en ik liepen? Enkele van die geveltjes
hadden verlichte ogen. Andere vormden slechts een vaag silhouet
tegen de donkere hemel.
Ongeveer in het midden van de straat hield de man stil. Hij haalde
een sleutel uit zijn zak en opende de deur. Ik noteerde in gedachten
het huisnummer, want de vele deuren in die straat waren volkomen
gelijk. Toen ik achter de man aan de woning binnenstapte, overviel
mij een bijzondere geur. Alle woningen hebben een eigen geur, een
soort 'nestgeur', die direct vertelt of men zich er zal thuisvoelen
of niet. Hier zou ik mij niet thuisvoelen. Ik rook het.
De oude man bracht mij naar een ruime kamer. In een hoek van die
kamer brandde een schemerlamp. In het schijnsel van die lamp lag een
vrouw op een divan.
Ik zag vrijwel onmiddellijk dat ze dood was. Ze lag gekleed in een
bleekroze nachtjapon, die tot haar enkels reikte. De armen waren
over haar borst gelegd, de vingers ineengestrengeld in een devoot
gebaar. Het geheel bood een vredige aanblik, die alleen werd
verstoord door de sporen van geweld die aan het hoofd van de vrouw
zichtbaar waren. Een grote, naar het scheen diepe wond liep in de
lengterichting van het hoofd. De wond werd wel enigszins door het
haar van de vrouw bedekt, maar schemerde toch rossig door.
De oude man, die naast de divan met de dode vrouw was gaan staan,
sprak fluisterend: 'Ik ben teruggekomen en heb iemand meegebracht.'
Zijn stem klonk vriendelijk.
'Hebt u haar zo .. .?' vroeg ik.
'Ja,' zei hij. 'Ik heb haar zo neergelegd. Zij bidt nu tot God en
vraagt vergeving voor mijn zonden. Voor haarzelf hoeft zij dat niet
te doen. Zij had geen zonden.'
Ik stond naast de man en terwijl van onze jassen water druppelde op
het kleed, staarden wij zwijgend naar de dode. Ze lag daar als een
soort 'Dritte im Bunde'. Want hoe vreemd het ook schijnt, ik voelde
mij op de een of andere manier verbonden met die vreemde man naast
mij en dat lijk op de divan. Het geheel, de sfeer, de entourage
kwamen mij niet vreemd voor. Het leek mij alsof ik dit alles al eens
eerder had beleefd in een droom. Maar dit was geen droom. Het was
werkelijkheid.
Toen de man nog iets prevelde, keek ik nauwlettend toe hoe een
regendruppel van mijn jas gleed en drupte in een reeds gevormd
plasje op het kleed. Ik dwong mijn blik opnieuw naar het gelaat van
de dode vrouw. Kennelijk had de man die naast mij stond de vrouw
gedood. Te oordelen naar de wond was het wapen vermoedelijk een bijl
geweest. Het wapen zal nog wel hier in huis zijn, dacht ik, terwijl
ik mij langzaam aan de betovering van de situatie trachtte te
onttrekken. Maar waarom? Wat had de man tot die afschuwelijke daad
gebracht?
Zodra ik mij weer voldoende rechercheur voelde, zei ik tegen hem:
'Zullen we samen eens gaan praten?'
We gingen aan tafel zitten. Het enige licht in de kamer kwam van de
staande schemerlamp en vloeide zachtjes uit een perkamenten kelk,
die op de divan was gericht. Het licht kaatste tegen het witte
gezicht en de bleekroze nachtjapon. Buiten tikte de regen tegen de
ramen.
Ik wist niet goed hoe te beginnen en zocht naar woorden die het
gesprek op gang zouden brengen. Ik hoorde mijzelf mompelen: 'Tot het
leven behoort ook het sterven.'
De man keek op en opnieuw ontmoette ik die vreemd glinsterende ogen
met een zweem van waanzin. 'Sterven betekent naar God gaan,' zei
hij.
Ik knikte.
'Het was het laatste dat ik voor haar kon doen.'
'Wilde zij het zo?'
'Eerst niet. Ik heb haar moeten overtuigen. Ze klaagde de laatste
tijd dat ze geen contact meer met Hem had. Ze zei dat Hij van haar
wegzweefde. Ongrijpbaar.' De man zuchtte. Zijn handen lagen voor hem
op tafel en ik zag de knokkels wit worden, toen hij ze tot vuisten
samenbalde. De veeg geronnen bloed zat nog op die rechterhand en ik
registreerde dat ook zijn linkerhand met bloed bevlekt was. 'Ze is
nu bij Hem,' zei hij. 'Ik ben het offer. Ik heb u gehaald om dit
offer te aanvaarden.'
Het was alsof iets van de waanzin van die vreemde man op mij
overvonkte, waardoor alles mij plotseling duidelijk werd. De daad
van de man, zo begreep ik nu, lag in het vlak van de absolute
Eeuwigheid. De scheiding tussen leven en dood was voor hem slechts
een barricade, opgeworpen tegen de eeuwige zaligheid. Hij had die
barricade geslecht en daardoor voor die vrouw de weg vrijgemaakt tot
God, de Eeuwige.
'U zult mij als offer aanvaarden,' ging de man verder, 'omdat u een
werktuig in Gods hand bent. Ik heb haar gedood, omdat ze bij God
wilde zijn. Ze heeft veel geleden, omdat ze zich door Hem verlaten
voelde. Dat was natuurlijk niet zo. Maar zo voelde zij het. Ze kon
Hem niet meer vinden. Ik wist dat zij zonder zonde was. Ze was een
heilige, mijn vrouw. Ik ben zelf nooit erg godsdienstig geweest,
maar ik was bang dat ze tot zonden zou vervallen, nu ze het contact
met Hem had verloren. Ik wilde dit contact herstellen en zag geen
andere oplossing dan haar dood, die de scheiding zou opheffen. Het
was eigenlijk vreemd. Ze wilde niet sterven en toch wenste ze vurig
bij Hem te zijn. Lang heb ik met haar gesproken en ik heb haar ervan
weten te overtuigen dat ze Hem niet kon vinden, omdat ze nog te veel
aan het leven hing. Gelooft u mij, ik hield veel van haar. Ik hield
zoveel van haar, dat ik dit offer heb kunnen brengen. Mijn liefde
heeft haar bij Hem gebracht.'
Zwijgend bleef hij voor haar staan. Ik was op de stoel aan de tafel
blijven zitten en keek naar de omtrekken van de man, die zich zwart
aftekenden tegen het licht van de schemerlamp.
Plotseling draaide hij zich om. 'Ik ben bereid,' zei hij.
Wij verlieten het huis en stapten door een onwezenlijke wereld terug
naar het politiebureau. Daar zette ik de politiemachinerie in
werking.
Ik sprak nog vele uren met de man, voordat hij naar de cel werd
gebracht. Ik vroeg hem ook hoe laat het was gebeurd. Ik kreeg een
schok toen hij antwoordde: 'Kwart over acht.' Hij bemerkte dit en
vroeg waarom ik schrok.
'O, het is niets,' zei ik. Ik wilde hem niet vertellen dat ik mij
juist op dat moment zo onrustig had gevoeld. Ik wilde hem niet
zeggen dat ik zijn daad in feite al had voorvoeld, al was het dan
ook onbewust. Ik kon hem dat niet zeggen, omdat het allemaal zo
vreemd was, zo onlogisch.
Hoe ver reikt het menselijk contact? Wat is de binding met onze
medemensen? Hoe geschiedt de informatie langs de nog onontdekte
communicatiewegen? Had deze man de vreemde impulsen, waarvan ik de
invloed had bespeurd, aan mij afgezonden? Of was het de vrouw
geweest?
Ik weet het niet. Ik ben doorgaans een nuchter mens. Natuurlijk zal
voor die merkwaardige samenloop van omstandigheden wel een
eenvoudige verklaring zijn te vinden. Ik zal er niet over tobben.
Toch blijft voor mij deze zaak de merkwaardigste die ik ooit heb
meegemaakt.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|