|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Top Tien
Rinus Schaaphuijsen is orgelman. Ik ken hem al een
eeuwigheid. Rinus is manser. Dat betekent dat hij tijdens het
voorbijgaan rinkelend het centenbakje onder je neus houdt. Bij mij
niet. Ik geloof zelfs dat hij het als een belediging zou opvatten
als ik er wat indeed. Zo goed kennen we elkaar.
Op een dag kwam hij naar mij toe. 'Ik wil effe met je praten,' zei
hij wat timide.
'Oké,' zei ik nonchalant, 'ga je gang.' Hij plofte op de stoel naast
mijn bureau neer. Op zijn gezicht lag een pijnlijke trek.
'Ik... eh, ik heb nu al een goed jaar een nieuw mansertje,' begon
hij wat moeilijk. 'Een aardige jongen wel. Nog niet helemaal
volleerd, maar toch... een jongen waar wat in zit. Een vasthoudertje.
Nou had ik de laatste maanden het gevoel dat hij niet helemaal
kausjer was. Begrijp je? Neem nou dat stukkie Nieuwendijk bij de
Dam. Als je daar een goed uurtje draait... en het is niet te slecht
weer... dan heb je toch gauw een...' Hij zweeg ineens, bedacht zich.
'Laat ik geen bedragen noemen. Je moet de belasting niet wijzer
maken, dan ze al is.'
'Ik ben niet van de belastingen,' zei ik geruststellend.
Hij grinnikte. 'Enfin, ik zei gisteren tegen Joop... zo heet hij...
Joop, zei ik, ik moest dat mansen maar weer van je overnemen.
Waarom? zei hij. Ik zei, Joop, zei ik ronduit, ik heb het gevoel dat
je gapt.'
'En toen?'
'Nou, ik dacht dat hij uit elkaar sprong. Hij vloekte mij stijf,
smeet het mansbakkie voor mij neer en weg was hij. Ik vond het wel
een beetje rot. Ik had al meer dan een jaar samen met hem gedraaid.
In weer en wind. En dan komt er toch 'n band. Nietwaar?' Hij schudde
droef het hoofd. 'Het ligt ook niet aan die jongen. Die jongen is
wel goed. Maar hij heeft een vrouw... een vrouw met een gat in haar
hand.' Hij snoof. 'Wat heet gat... je kan er de Haarlemmerpoort in
laten wegzakken.' Hij zweeg opnieuw. Zuchtte. 'Kom ik vanmorgen in
mijn loods... bijna mijn hele repertoire weg... al m'n boeken. Er
lagen alleen nog een paar walsen en een oude polka. Goeie stukkies,
hoor, maar een beetje uit de tijd.'
'En nou dacht je dat Joop...?'
Hij knikte voor zich uit.
'Uit nijd?' Ik keek hem aan. 'En wat wil je?'
Hij zwaaide afwerend. 'Geen toestanden... gerecht en zo... wil ik
per se niks van weten.' Hij hield zijn hoofd wat schuin. 'Misschien
kan je eens met hem praten... entre-nous.' Dat deed ik.
De middag daarop ging ik naar de Nieuwendijk. Ik was benieuwd hoe
mijn missie had uitgewerkt. Tot mijn genoegen hoorde ik al van verre
de vrolijke deunen van het orgel.
Joop manste. Ik ging hem met een knipoog voorbij. Bij het orgel
stond Rinus. 'En?' vroeg ik overbodig.
Hij glunderde met zijn hele gezicht. 'We zitten weer in de Top
Tien.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|