Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 48

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 1
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Ridderlijk

 

Ik keek gefascineerd en een tikkeltje verbaasd naar de vrouw die door twee potige dienders de recherchekamer werd binnengebracht. Ze was mooi, jong en aantrekkelijk. Uitdagend blikte ze om zich heen. Soms schudde ze even het fiere hoofd, waardoor een weelde van goudgolvend haar langs haar gezicht waaierde.
Mijn verbazing gold haar kleding. Ze droeg een zwart zijden blouse, zeer chic, met wijde pofmouwen en een gewaagd decolleté. Als een pure modedissonant slobberde daaronder de blauw-wit katoenen broek van het gemeentelijk drenkelingenpak, door een rafelig stuk paktouw opgehouden. 
Het drenkelingenpak behoort tot de uitrusting van elk Amsterdams politiebureau. Er plegen weleens lieden in een gracht te storten en dan is het makkelijk wat droogs bij de hand te hebben.
Ze lieten haar op de stoel naast mijn bureau plaats nemen en een van de agenten gaf mij een pakje. Het bevatte een lange paarse damespantalon van een goedkoop soort verschoten ribfluweel. 'Die hebben we haar maar uit laten trekken,' legde hij uit. 
'Waarom?'
'Ze had hem gestolen.' 
'Gestolen?' reageerde ik verwonderd. 
De agent knikte. 'Vannacht.' 
'Waar?'
'Uit een kampeerbusje op het parkeerterrein achter het Havengebouw. Ze werd op heterdaad betrapt.' 
Ik wees naar de broek van het gemeentelijk drenkelingenpak. 'Wie heeft haar die laten aantrekken?' 
'Onze wachtcommandant. We konden haar toch moeilijk in d'r naakte blootje laten zitten.' 
Ik richtte mij wat verward tot de jonge vrouw. 'Had u... eh, had u dan voordien niets aan?' 
Ze schudde triest het hoofd.
Ik monsterde de zwart zijden blouse, die niet verder dan haar navel reikte. 'Ik neem niet aan dat u gisteren zo van huis bent gegaan,' stelde ik voorzichtig. 
Ze keek me vernietigend aan. 'Ik heb de gewoonte mij zorgvuldig te kleden,' reageerde ze fel. Ineens brak haar weerstand. Ze sloeg beide handen voor het gezicht en barstte in snikken uit.
Toen de beide agenten waren verdwenen, kwam ze wat tot bedaren. Ze frommelde in haar handtasje en gaf mij een visitekaartje. 'Dat is mijn vriend. Hij heeft mijn kleren. Ze zijn in zijn wagen achtergebleven.' 
'Zijn wagen?'
Ze knikte traag. 'We zijn gisteren uit geweest. Op weg naar huis reed hij naar het parkeerterrein achter het Havengebouw. Op de achterbank hebben we liggen vrijen.' Ze aarzelde even. 'Mijn vriend is nogal heetgebakerd... snel geďrriteerd. We kregen ruzie. Plotseling deed hij het portier open en duwde mij naar buiten.' 
'Zo... zonder meer?'
Ze knikte opnieuw. 'Toen hij wegreed, stond ik daar... begrijpt u... bloot... van onderen. Ik dacht eerst, die komt direct wel weer terug. Maar hij bleef weg. Toen raakte ik in paniek. Ik zag op het parkeerterrein een busje en daarin hingen wat kleren.' 
'Toen hebt u die pantalon gepakt?' 
Ze liet haar hoofd zakken.
'Wat een schoft,' riep ik uit de grond van mijn hart. 
'Wie?'
'Uw vriend.'
Ze schudde bestraffend het hoofd. 'Dat mag u niet zeggen. Hij is anders erg ridderlijk.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week