|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Ridderlijk
Ik keek gefascineerd en een tikkeltje verbaasd naar
de vrouw die door twee potige dienders de recherchekamer werd
binnengebracht. Ze was mooi, jong en aantrekkelijk. Uitdagend blikte
ze om zich heen. Soms schudde ze even het fiere hoofd, waardoor een
weelde van goudgolvend haar langs haar gezicht waaierde.
Mijn verbazing gold haar kleding. Ze droeg een zwart zijden blouse,
zeer chic, met wijde pofmouwen en een gewaagd decolleté. Als een
pure modedissonant slobberde daaronder de blauw-wit katoenen broek
van het gemeentelijk drenkelingenpak, door een rafelig stuk paktouw
opgehouden.
Het drenkelingenpak behoort tot de uitrusting van elk Amsterdams
politiebureau. Er plegen weleens lieden in een gracht te storten en
dan is het makkelijk wat droogs bij de hand te hebben.
Ze lieten haar op de stoel naast mijn bureau plaats nemen en een van
de agenten gaf mij een pakje. Het bevatte een lange paarse
damespantalon van een goedkoop soort verschoten ribfluweel. 'Die
hebben we haar maar uit laten trekken,' legde hij uit.
'Waarom?'
'Ze had hem gestolen.'
'Gestolen?' reageerde ik verwonderd.
De agent knikte. 'Vannacht.'
'Waar?'
'Uit een kampeerbusje op het parkeerterrein achter het Havengebouw.
Ze werd op heterdaad betrapt.'
Ik wees naar de broek van het gemeentelijk drenkelingenpak. 'Wie
heeft haar die laten aantrekken?'
'Onze wachtcommandant. We konden haar toch moeilijk in d'r naakte
blootje laten zitten.'
Ik richtte mij wat verward tot de jonge vrouw. 'Had u... eh, had u
dan voordien niets aan?'
Ze schudde triest het hoofd.
Ik monsterde de zwart zijden blouse, die niet verder dan haar navel
reikte. 'Ik neem niet aan dat u gisteren zo van huis bent gegaan,'
stelde ik voorzichtig.
Ze keek me vernietigend aan. 'Ik heb de gewoonte mij zorgvuldig te
kleden,' reageerde ze fel. Ineens brak haar weerstand. Ze sloeg
beide handen voor het gezicht en barstte in snikken uit.
Toen de beide agenten waren verdwenen, kwam ze wat tot bedaren. Ze
frommelde in haar handtasje en gaf mij een visitekaartje. 'Dat is
mijn vriend. Hij heeft mijn kleren. Ze zijn in zijn wagen
achtergebleven.'
'Zijn wagen?'
Ze knikte traag. 'We zijn gisteren uit geweest. Op weg naar huis
reed hij naar het parkeerterrein achter het Havengebouw. Op de
achterbank hebben we liggen vrijen.' Ze aarzelde even. 'Mijn vriend
is nogal heetgebakerd... snel geďrriteerd. We kregen ruzie.
Plotseling deed hij het portier open en duwde mij naar buiten.'
'Zo... zonder meer?'
Ze knikte opnieuw. 'Toen hij wegreed, stond ik daar... begrijpt u...
bloot... van onderen. Ik dacht eerst, die komt direct wel weer
terug. Maar hij bleef weg. Toen raakte ik in paniek. Ik zag op het
parkeerterrein een busje en daarin hingen wat kleren.'
'Toen hebt u die pantalon gepakt?'
Ze liet haar hoofd zakken.
'Wat een schoft,' riep ik uit de grond van mijn hart.
'Wie?'
'Uw vriend.'
Ze schudde bestraffend het hoofd. 'Dat mag u niet zeggen. Hij is
anders erg ridderlijk.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|