|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
De verkeerde
De man die zonder kloppen de recherchekamer kwam
binnenstuiven, was één brok oprechtheid. Dat zei hij van zich zelf
en dat kon men ook aan hem zien. Hij had een vriendelijk open
gezicht, waarin geen greintje gluiperigheid viel te ontdekken. Het
glansde van eerlijkheid. Het is verheugend voor psychiaters en
andere zielontleders, dat van dergelijke ongecompliceerde figuren
slechts zelden bij de Burgerlijke Stand melding wordt gemaakt,
anders konden zij hun praktijken wel sluiten.
De man sprak met een verbijsterend gebrek aan terughoudendheid en
zijn woorden waren even rond en robuust als zijn enorme borstkast,
die slechts met moeite door een zwarte schipperstrui in toom werd
gehouden.
'Stinkgriet,' kreet hij.
Ter verduidelijking: Griet moet in dit geval als soortnaam worden
opgevat. Ze heette namelijk geen Griet, maar Louise. Ook de
toevoeging 'stink' moet niet letterlijk worden genomen. Het vertelt
niets over de geur die het betrokken wezen verspreidde, maar gold
als een karakterontleding, die bepaald in ongunstige zin was
uitgevallen.
'Stinkgriet,' bulderde hij voor de tweede keer. 'Ik had haar in
elkaar moeten hengsten.'
'U hebt dat niet gedaan?' vroeg ik schuchter.
Hij schudde het enorme hoofd.
'Haar niet.' 'Wie wel?' reageerde ik angstig, want ik schatte 's
mans fysieke kracht op het vermogen van een kleine stoomhamer.
'Die gooser.'
'Welke gooser?'
Hij zwaaide met een machtige arm. 'Ik had al een tijdje gehoord, dat
Louise met een ander knoeide. Vrienden kwamen het mij vertellen. Ook
mijn oudje had het in mijn oor gefluisterd. Ik ben al weken
pisnijdig, maar ik kon haar nooit betrappen.'
'Vanavond wel?'
Hij knikte traag. 'Op het Damrak. Daar zat ze met die gooser op een
terrasje.'
'En daar heb je hem in elkaar gehengst?'
'Precies... het gasthuis in.'
Ik reserveerde voor de man een plaatsje in een van onze cellen en
toog op onderzoek. Het bleek mij, dat er inderdaad een slachtoffer
met ernstige kwetsuren in het Binnengasthuis was opgenomen. Omdat de
doktoren nog bezig waren de diverse breuken in kaart te brengen,
mocht ik hem pas na een uurtje bezoeken. Hij lag er bleek en ontdaan
bij.
Toen ik mij had voorgesteld, zei hij zachtjes: 'Hebben ze die bruut
al?'
'Hij heeft zich zelf gemeld.'
De man likte aan zijn gezwollen lippen. 'Die vent hoort in een
inrichting thuis.'
Ik trok mijn schouders op. 'Toen u een verhouding met die vrouw
aanknoopte, wist u ongeveer welk risico u liep.'
De man keek mij verwonderd aan. 'Verhouding?' lispelde hij.
Ik knikte. 'Louise.'
De man slikte. Zijn adamsappel danste. 'Ik ken geen Louise. Nooit
van gehoord. En ik heb geen verhouding. Ik had alleen dorst en toen
kwam ik langs een terrasje.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|