Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 46

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 7
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1995

 

Mokum zonder masker

 

De gracht lag stil en verlaten te soezen in het stuntelige licht van een paar armetierige straatlantaarns. Alleen in de zijstraatjes, die de verbinding vormen tussen de binnenstad en de Jordaan, liepen nog een paar late 'thuisreppers'. Het middernachtelijk uur had allang geslagen en hoewel de stad in feite nooit helemaal slaapt, lag toch al zo'n zevenennegentig procent van de Amsterdammers op één oor. Die slapende Amsterdammers waren op dat moment beslist niet interessant en daarom zullen wij hen dan ook maar verder ongemoeid laten. Tot de overige drie procent behoorde onder meer een jongeman, die op het moment dat wij aandacht aan hem gaan schenken, al meer dan een half uur behoedzaam op dat stille stukje gracht heen en weer had gelopen. Zijn aandacht scheen vooral gericht op een oud en bijzonder fraai grachthuis, waarin de kantoren van een paar gerenommeerde zaken waren gevestigd. Om misverstanden te voorkomen moet worden vermeld dat de aandacht van de jongeman niet voortsproot uit een behoefte zich aan de schoonheid van de architectuur te laven. Integendeel, de architectuur van de zeventiende eeuw liet hem koud. Wat hem interesseerde, waren de wel degelijk twintigste-eeuwse alarminstallaties, die hij gelijkvloers wel, doch op de hoger gelegen verdiepingen niet verwachtte.
De bewegingen van de jongeman zouden voor altijd voor ons verborgen zijn gebleven, wanneer de vrouw van de conciërge van een kantoorgebouw, twee huizen verderop, niet plotseling was geplaagd door een uitgeholde kies, die reeds lang een vergeefse strijd tegen de verrotting streed. Gekweld door een knagende, niet te stuiten pijn had zij het warme echtelijke bed verlaten en was uit pure chagrijn op haar stoel voor het raam gaan zitten. De moederlijke, maar kinderloze vrouw van de conciërge was een 'achter-het-raam-zitster' van nature en daarom had zij, om haar gezichtsveld te vergroten, een gecompliceerd stel spionnetjes laten aanbrengen dat - consequentie van 'hoek van inval is gelijk aan hoek van uitval' - het gehele stukje gracht spiegelend binnen haar bereik bracht. Des daags boden die kunstig gestelde spiegeltjes beschouwingsobjecten genoeg. Dan waren er heetgebakerde, toeterende, klemgereden automobilisten en druk doende straathondjes, die met al die bomen aan de wallekant een ware dagtaak hadden. Maar des nachts was het anders. Het wiegen van de takken in een zuchtje wind en het speels weerspiegelen in de gracht van het licht van een eenzame lantaarnpaal vormden de enige zichtbare bewegingen.
Plotseling was de vrouw van de conciërge, die als veel vrouwen met een overdreven nieuwsgierigheid was behept, de reden van haar nachtelijk verblijf op die stoel voor het raam vergeten; haar kiespijn was volkomen verdwenen op het moment dat ze in haar spionnetjes de jongeman ontwaarde. Hij stond tussen een paar geparkeerde auto's aan de wallekant met zijn rug tegen een boom geleund en keek aanhoudend schuin naar boven. Hij was, dat zag ze direct, geen normale voorbijganger die even een rustpauze nam, maar een 'blijvertje', die haar zeker een tijdje kijkgenot zou verschaffen. Niets is immers zo heerlijk dan om zelf onbespied anderen te bespieden. Ze ging er dan ook eens goed voor zitten en vroeg zich af wat dat jongmens daar te zoeken had. Haar overigens rijke fantasie kon slechts tot de conclusie komen dat de jongeman op het 'slechte pad' was en waarschijnlijk het plan had een inbraak te gaan plegen. Wat had men anders, nietwaar, op dit uur op die stille gracht te zoeken? Eén moment overwoog ze direct de politie te bellen. Maar, zo bedacht ze, het simpele feit dat die jongeman 's nachts tegen een boom geleund stond, zou, hoewel verdacht, voor de politie niet direct aanleiding zijn om in te grijpen. Ze besloot daarom eerst de loop van de gebeurtenissen maar eens af te wachten. Daarvoor hoefde ze niet lang te wachten, want reeds na enkele minuten verliet de jongeman zijn plaatsje bij de boom en stiefelde, omzichtig om zich heen kijkend, naar de blauwe stoep van het oude, bijzonder fraaie grachthuis. Hij beklom de statige treden en toen hij het bordesje had bereikt, deed hij, uiterlijk volkomen op zijn gemak, zijn overjas uit. Vervolgens ontdeed hij zich van zijn colbert en hij hing deze kledingstukken voorzichtig over de leuning. Dit alles voltrok zich in het spiegelende spionnenstelsel voor de verbaasde ogen van de vrouw van de conciërge. Het jongmens, nu slechts gekleed in zwarte broek en donkere trui, begon met handige bewegingen tegen de gevel te klimmen.
Dit had voor haar het moment moeten zijn om in te grijpen. Ze had nu de politie moeten waarschuwen, maar ze was zo geboeid door het schouwspel, dat ze het eenvoudig vergat. Zonder veel moeite maakte hij vorderingen en ten slotte bereikte hij met behulp van een regenpijp de vensterbank van de eerste etage. Hij stond er wat ongemakkelijk, want de schuin aflopende vensterbank bood weinig bewegingsvrijheid en in de onmiddellijke omgeving waren geen andere betrouwbare steunpunten voor handen of voeten aanwezig.
Nog altijd begreep de vrouw van de conciërge niet wat de jongeman nu eigenlijk wilde. Ze zag hoe hij het raam van die eerste etage inspecteerde en hoe hij daarna, bij een poging nog verder omhoog te klimmen, bijna van de vensterbank tuimelde. Hij probeerde het opnieuw, maar ook deze poging faalde. Na een poosje trachtte hij weer naar beneden te klimmen. Ademloos keek ze toe en ze slaakte een gesmoorde kreet, toen hij bij een van zijn pogingen haast een dodelijke val op de straat maakte. Ze zag hoe zijn bewegingen op die vensterbank steeds onzekerder werden en hoe hij ten slotte doodstil op die vensterbank bleef staan.
De vrouw vroeg zich af hoe dat allemaal zou aflopen. De jongeman ondernam geen enkele poging meer, noch naar omhoog, noch naar omlaag, en de tijd verstreek. Hoe lang, overwoog ze, zou hij het nog kunnen uithouden, zo met zijn rug tegen de ruiten, zijn voeten op de schuin aflopende vensterbank en met zijn handen, als enig houvast, tegen de raamlijsten gedrukt? Ze maakte zich zorgen en wist niet precies wat te doen. Toen er enige minuten, waarin niets was gebeurd, waren verstreken, meende de vrouw dat buiten iemand om hulp riep. Ze dacht dat het geroep van de jongeman kwam, maar hoewel haar spionnetjes haar veel konden vertellen, was het voor haar toch niet mogelijk dit vanaf haar plaats achter het raam precies te bepalen.
Gehoor gevend aan een plotselinge opwelling verliet ze haar observatiepost bij het raam en schuifelde naar de buitendeur. Voordat ze de straat opging, trok ze een oude regenjas over haar pyjama aan en sloeg een dikke sjaal om haar magere hals. Het was tekenend voor haar karakter dat ze haar man niet wekte, maar er alleen op uittrok. Ze liet de buitendeur op een kier staan en sjokte in haar te grote pantoffels naar dat oude, bijzonder fraaie grachthuis. Eenmaal buiten kon ze zijn geroep duidelijk horen. Het klonk haar zo hulpeloos en klagend in de oren, dat ze erdoor werd ontroerd en vergat dat ze met een inbreker te doen had. Pas toen ze het huis had bereikt, zag ze, niet misleid door het optische bedrog dat het gebruik van spionnetjes nu eenmaal meebrengt, hoe precair zijn situatie was. De vensterbank waarop hij stond was niet veel meer dan een smalle richel, die nauwelijks aan een flinke mannenvoet plaats bood. Bovendien leek het uithoudingsvermogen van de jongeman al ernstig aangetast, zodat snel handelen geboden was.
Toen de jongeman, die tot nu toe uit angst slechts strak voor zich uit had gekeken, de vrouw beneden hem in het oog kreeg, smeekte hij om hulp. 'Vlug,' zei hij. 'Ik houd het niet lang meer uit.'
Het vrouwtje begreep. 'Ik zal de politie bellen,' zei ze, 'en de brandweer; die hebben een springzeil.' Ze liep alweer lenig, in de richting van haar huis.
De jongeman riep haar terug. 'Nee,' smeekte hij, 'alsjeblieft geen politie of brandweer!' 
Ze bleef staan, sjokte een paar passen terug en riep: 'Waarom niet? Ze zullen je beslist helpen.' 
'Nee!' riep de jongeman. 'Begrijpt u het dan niet? Geen politie! U kunt mij toch wel helpen zonder de politie of brandweer te waarschuwen? Hebt u geen ladder?'
Ze had wel een ladder. Hij stond in de schuur achter in de tuin. Ze aarzelde. Het was een zware ladder en het zou een heel karwei zijn het ding vanuit de schuur, door het huis en daarna over de straat naar hier te krijgen. Ze voelde er eigenlijk niet zoveel voor. Het leek haar veel gemakkelijker de politie te waarschuwen.
De jongeman bleef echter sterk aandringen. 'Hebt u geen ladder? Alsjeblieft, mevrouw, geen politie of brandweer. Begrijpt u niet dat ik dan de gevangenis inga?'
Ze kreeg medelijden met hem. Bovendien appelleerde zijn smekende stem zo dringend aan haar moederlijke gevoelens, dat ze ten slotte capituleerde. Ze sjokte terug naar huis om de ladder te halen. 'Houd nog even vol,' riep ze. 'Ik ben zo terug.' Ook nu wekte ze haar man niet. Ze vond het eenvoudig niet de moeite waard haar man, die toch al zo met ischias sukkelde, voor zo'n kleinigheid wakker te maken.
Voorzichtig, zo weinig mogelijk geluid makend, trok ze de zware ladder uit de schuur en sleepte hem over het grindpad van de tuin naar de keuken. Daar bleef ze even rusten om op adem te komen. Ze was ook niet zo jong meer. Haar hart klopte in haar keel. Toen het bonzen weer enigszins tot bedaren was gekomen, bracht ze de ladder via een trapje en een gang tot aan de buitendeur. Het had bijna alles van haar krachten gevergd, omdat het ding door zijn lengte bijna niet te hanteren was.
Toen hees ze hem op haar schonkige schouder en slofte, gebukt onder het gewicht, naar het huis, waar de jongeman met inspanning van al zijn krachten nog steeds standhield. Ze wist eerst niet goed hoe ze dat ding verticaal tegen de gevel zou brengen, maar algauw had haar vindingrijke geest iets gevonden. Ze sleepte de ladder tegen de treden van het bordesje en duwde hem toen langzaam omhoog.
De jongeman begon inmiddels ongeduldig te worden. 'Schiet toch op, mens!' riep hij. 'Ik houd het bijna niet meer.'
De vrouw van de conciërge liet zich echter niet haasten. Haar krachten stonden dit ook niet toe. Voorzichtig schoof ze de ladder steeds dichter naar het raam. Toen ze meende dat hij dicht genoeg bij de jongeman stond, zei ze: 'Toe maar. Zo gaat het wel.'
Maar de jongeman aarzelde. Grote zweetdruppels stonden op zijn voorhoofd.
'Toe maar,' drong ze aan. 'Je kunt de ladder nu zo pakken.'
De jongeman bleef echter als versteend in het raam staan. 
'Ik durf niet,' zei hij hijgend. 'Ik durf mijn handen niet meer los te laten.'
Staande onder aan de ladder, die ze met twee handen stevig vasthield, sprak ze hem bemoedigend toe. 'Toe maar, je durft wel,' zei ze. 'Je hoeft niet bang te zijn. De ladder is vlakbij. Met je linkerhand kun je hem zo pakken.' 
Maar hij gilde: 'Ik durf niet! Ik durf niet!' 
Toen ze inzag dat het haar toch niet zou lukken de jongeman te overreden, besloot ze handelend op te treden. 'Houd nog even vol,' zei ze. 'Ik kom zo bij je.' 
Aarzelend begon ze de wiebelende ladder te beklimmen. Ze had daarvoor eerst haar eigen angst moeten overwinnen. Ze hield niet van ladders en had een beetje last van hoogtevrees. Haar te grote pantoffels had ze uitgedaan en met haar blote voeten zocht ze steun op de uitgesleten sporten. Toen ze ter hoogte van zijn benen was gekomen, zag ze dat zijn knieën knikten. Ze klom nog iets hoger. Toen ze meende hoog genoeg te zijn, steunde ze hem met kaar hoofd en schouder. Ze voelde hoe zijn lichaam trilde. "Nu langzaam draaien,' zei ze.
Gehoorzaam volgde hij haar aanwijzingen. Met oneindig veel geduld bracht ze hem ertoe een voet op de ladder te zetten. Het lukte. Eenmaal dreigden ze, door een verkeerde beweging van de jongeman, van de ladder te storten, maar gelukkig herstelde hij zich bijtijds. Langzaam, treetje voor treetje, leidde ze hem naar beneden.
Toen ze hem eindelijk van de zwiepende ladder op de stoep had gebracht en de intense spanning was geweken, voelde ze pas hoe moe ze was. Ze bemerkte dat ze veel, eigenlijk te veel, van haar krachten had gevergd. Maar ze voelde zich gelukkig. Om wat bij te komen ging ze op de koude stoep zitten en keek vriendelijk glimlachend toe hoe de jongeman zijn colbertje en overjas van de leuning nam en begon aan te trekken. Ze wilde opstaan om hem daarbij te helpen, maar voelde plotseling hoe alle kracht uit haar wegzonk. De lichtjes van de lantaarnpalen aan de overkant van de gracht begonnen voor haar ogen te flikkeren en doofden toen uit. Langzaam gleed ze opzij en bleef bij de ladder, die nog steeds tegen de gevel stond, liggen.
De jongeman bukte zich snel en bracht de bewusteloze vrouw in zittende houding. Hij schudde haar zachtjes heen en weer en riep: 'Hé, u moet wakker worden.' Hij gaf haar zachte klapjes tegen haar wangen. Zijn moeite was echter tevergeefs. Toen hij inzag dat het wel lang kon duren voordat ze weer bijkwam, en dat ze misschien zonder hulp nooit meer zou bijkomen, werd hij radeloos. Wat moest hij doen? De bewusteloze vrouw had snel hulp van een dokter nodig. Maar waar haalde hij midden in de nacht zo gauw een dokter vandaan? Waar kon hij bellen? De enige mogelijkheid die hem direct voor ogen stond, was de politie. Het politiebureau was niet ver weg en dag en nacht open. Hij wist dat uit ervaring. Maar dan? Wat moest hij zeggen? Welke verklaring moest hij geven voor de bewusteloze vrouw en de ladder tegen de gevel. Hij zuchtte. Waarom moest dat mens nu juist flauwvallen?
Plotseling kwam het in hem op eenvoudig weg te gaan. Zomaar. Ze zouden die vrouw te zijner tijd wel vinden.
Wat had hij eigenlijk met haar te maken? Hij kende haar niet eens. Hij had haar nooit eerder ontmoet. Tenslotte was ze voor hem een wildvreemde. Misschien zou ze later, als ze bijkwam, een signalement van hem kunnen geven, maar dat risico moest hij nemen. Misschien kwam ze nooit meer bij en dan zou niemand iets van zijn poging om te kraken weten. Dat vervloekte raam ook. Wie kon nu denken dat men ook de ramen van de eerste etage op de alarminstallatie had aangesloten. Zoiets dwaas. Het was hem nog nooit overkomen. Hij had het pas ontdekt toen hij al in het raam stond, maar toen was het te laat geweest. Als dat mens hier niet was gekomen, dan stond hij nu nog in dat raam of was allang naar beneden getuimeld. Dan had hij hier gelegen in plaats van dat mens. Ja, dat mens, waar kwam ze eigenlijk vandaan? Ze moest hier ergens dichtbij wonen. Maar waar? Hij begon in een draf langs de huizen van de gracht te lopen, maar nergens brandde licht en aan geen der huizen kon hij zien of de vrouw daar thuishoorde.
In een paar seconden was hij terug. Ze lag nog steeds roerloos op de stoep naast de ladder, haar ogen gesloten. Die koude stoep wordt haar dood, dacht hij. Het hamerde in zijn hoofd: die koude stoep wordt haar dood.
Handenwringend stond hij naast de vrouw. Als om zich te overtuigen bukte hij zich en legde een hand op de stoep. De blauwe steen trok direct de warmte uit zijn klamme hand. Plotseling trok hij zijn overjas en colbert uit. Met de overjas dekte hij haar toe en zijn colbert vouwde hij tot een kussentje. Voorzichtig tilde hij het hoofd van de vrouw op en schoof het colbert eronder. Toen holde hij naar de politie.

 

Dit alles gebeurde acht jaar geleden. Zijn uitgebreide strafregister in aanmerking genomen was de straf die de jongeman kreeg bijna geen straf te noemen. De rechter had begrip getoond en memoreerde bij de motivering van het milde vonnis de omstandigheden die de jongeman ertoe hadden gebracht zichzelf bij de politie te melden.
Voor de jongeman betekende dit alles een ommekeer in zijn leven. Wat jaren gevangenisstraf, reclassering en toezicht niet hadden kunnen volbrengen, werd door dat enkele voorval bereikt. Toen hij de ochtend na het gebeurde bij de rechercheur werd gebracht om verhoord te worden, was zijn eerste vraag: 'Hoe is het nu met haar?'
De rechercheur kon hem geruststellen. De vrouw was snel naar een ziekenhuis gebracht en knapte alweer aardig op.
'Goddank,' zei hij. 'Het kan mij niet schelen wat ik voor dit gevalletje krijg, maar ik dank de goeie God dat ze nog leeft. Weet u, meneer, dat ik er een ogenblik aan heb gedacht haar maar rustig op die koude stoep te laten kreperen? Weet u dat, meneer? Is het niet verschrikkelijk! Ik ben zo van mijn eigen gedachten geschrokken, dat het leek of de duivel op mijn hielen zat, toen ik naar het politiebureau rende om hulp voor haar te halen. Wat heb ik in angst gezeten! Het is erg, als je van jezelf ontdekt dat je een ploert bent. Maar het is afgelopen, meneer. Mij ziet u hier niet meer.'
Hij heeft woord gehouden. Nog éénmaal kwam hij op het bureau terug. Dat was, toen hij na het uitzitten van zijn straf aan de rechercheur het adres van de vrouw kwam vragen. Hoewel dit nooit wordt gedaan, maakte de rechercheur ditmaal, na ruggespraak met de vrouw, een uitzondering. Met een bloemetje is hij haar gaan opzoeken en bij dat ene bezoek is het niet gebleven. Eerst kwam hij alleen, later met zijn vrouw en weer later met vrouw en kinderen. De vrouw van de conciërge kreeg zo op late leeftijd nog een zoon en kleinkinderen. Ze ging er helemaal in op. Van haar nachtelijke avontuur met de ladder heeft ze nooit een uur spijt gehad. Door haar optreden werd Bertus - zo heette de jongeman - een ander mens. Of misschien is het beter te zeggen dat hij zichzelf ontdekte, en dat is vaak voldoende.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week