|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Hulp
Ons blauwwit gestreepte drenkelingenpak slobberde om
haar magere lijf. Uit het lange, wat piekerige haar drupte nog het
vuile grachtwater.
Ik schatte haar op achter in de twintig. Zij had dunne lippen, een
spitse neus en lichtgroene ogen in een bleek ovaal gezichtje.
De diender die haar had binnengebracht, knikte in haar richting. 'Ik
heb haar samen met agent Jongsma uit het water gehaald.'
'Waar?'
'De Brouwersgracht bij de Melkmeisjesbrug.'
'En waar is agent Jongsma?'
De jonge diender gebaarde achter zich. 'In het Binnengasthuis. Hij
wordt onderzocht. Hij heeft nogal wat vuil grachtwater
binnengekregen. De wachtcommandant vond het beter dat hij...'
Ik knikte begrijpend.
De diender snoof, wees naar de vrouw. 'Wij hebben nogal wat moeite
met haar gehad. Zij wilde helemaal niet gered worden. Toen Jongsma
in de gracht sprong en haar vastpakte, beet zij in zijn hand.'
Ik keek naar de tengere vrouw. Zij zat wat apathisch op de stoel
voor mijn bureau. 'Hoe kwam u in het water van de gracht terecht?'
opende ik vriendelijk.
Zij blikte van mij weg. 'Gesprongen,' zei zij kortaf.
Ik krabde mij achter in de nek, zocht naar woorden om het gesprek
voort te zetten. 'Hoe heet u?'
'Ansje de Vries.'
'U bent getrouwd?'
'Ja.'
'Kinderen?'
'Drie.'
Ik boog mij wat vertrouwelijk naar haar toe. 'Kinderen hebben een
moeder nodig.'
Zij draaide zich met een ruk naar mij toe. 'En een vader,' reageerde
zij fel.
'Hebben ze die niet?' vroeg ik voorzichtig.
Er kwam een wrange grijns op haar gezicht. 'En wat voor een. Een
vent die hoert en snoert met zo'n del.'
'Sprong u daarom in de gracht?'
Zij knikte traag. 'Ik heb hem wel honderdmaal gevraagd die meid los
te laten. Hij heeft het mij ook wel honderdmaal beloofd, maar hij
gaat gewoon door.'
'En vandaag was de maat vol?'
Zij keek mij treurig aan. 'Precies. Ik was het zat. Ik zag het
gewoon niet meer zitten.' Zij zweeg even, vingerde wat. 'Het was dom
... vind ik... nu ... achteraf.'
Op dat moment kwam een jongeman de recherchekamer binnenstappen. Hij
was op een weke manier knap en had een weelde van zwart golvend
haar. Hij wees op de vrouw in het drenkelingenpak. 'Dat is mijn
vrouw. Ik kom haar ophalen.'
Ik zag hoe het gezicht van de jonge diender verbleekte. 'Dat is uw
vrouw?' vroeg hij verwonderd.
De jongeman knikte. 'Mijn vrouw,' herhaalde hij.
De adamsappel van de jonge diender wipte op en neer. 'U ... u . . .,
u,' stotterde hij, 'u stond tussen de omstanders aan de wallekant te
kijken, terwijl mijn collega en ik de grootste moeite hadden om uw
vrouw uit de gracht te halen.' Hij grinnikte van ongeloof. 'U stak
geen hand uit.'
De jongeman keek verrast op. In zijn ogen blonk verontwaardiging.
'Voor zulke dingen worden jullie toch betaald... ik niet.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|