|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Betsy
Betsy zit op de wallen, vriendelijk en blijmoedig.
Ze zit daar al vele jaren, want ze kan niet anders. Ze moet namelijk
geld verdienen voor haar drie kinderen; ze heeft hen uitbesteed bij
'nette' families, die de opvoeding verzorgen. Bovendien blijft het
daar niet bij. De kinderen moeten ook nog gekleed gaan en dat is
niet bij de prijs inbegrepen. Jantje, de oudste, die twaalf jaar is,
heeft pas een nieuw jack gehad.
Betsy zou niet weten op welke andere manier ze al dat geld bij
elkaar zou moeten scharrelen dan ze het nu doet. Dus zit ze op de
wallen, vriendelijk en blijmoedig, want Betsy heeft geen wrok tegen
de mannen die voor die drie kinderen mede verantwoordelijk zijn. Ze
zou ook geen wrok kunnen koesteren, omdat ze niet zou weten tegen
wie ze die wrok zou moeten richten. Ze kent namelijk die mannen
niet, althans ze kent hen wel, maar weet niet wie van hen feitelijk
verantwoordelijk zijn.
Soms meent ze in een van de kinderen een bepaalde gelaatstrek te
herkennen, maar dat kan ook verbeelding zijn. De snoetjes van de
kinderen veranderen zo snel, dat er beslist geen peil op te trekken
is. Betsy heeft zich er dan ook maar bij neergelegd. Een vader
zullen de kinderen nooit hebben.
'En wat dan nog,' meent Betsy. 'Zijn ze er slechter om?' Er is
niemand die de vraag bevestigend durft te beantwoorden.
Betsy is een goede moeder, al is ze dan een moeder op afstand, want
ze ziet de kinderen alleen op zondag. De zondag is dan ook voor haar
en haar kinderen een feestdag. De wensen van de kinderen worden dan
volledig vervuld en niets is Betsy te veel.
De kinderen beschouwen haar als een goede fee, die met een toverstaf
alle wensen in vervulling doet gaan en fabelachtig rijk is. Ze weten
niet dat de toverstaf van Betsy niets met magische kunst te maken
heeft en dat de rijkdom maar schijn is. Ze weten niet dat Betsy
extra lang op de wallen zit om één dag per week voor goede fee te
kunnen spelen.
Kinderen vragen niet, ze accepteren slechts. Tenminste als ze nog
jong zijn. Maar kinderen worden ouder en Jantje is al twaalf jaar
...
Eens was haar leven nog een avontuur, vol blijde verwachting. Ze
pakte het met beide armen vast. Volledig. Ze genoot er met volle
teugen van, totdat de rekening werd gepresenteerd. Toen het zover
was, bleek dat ze in die wereld vol mensen slechts alleen stond en
dat niemand bereid was aan die rekening mee te betalen. Ze wist ook
niet aan wie ze om een bijdrage moest vragen. Ze had met veel mannen
een roes beleefd. Zoals haar karakter was, had ze dat blijmoedig
gedaan en nooit nauwkeurig boek gehouden. Er was nooit een
opeenvolging van favorieten geweest, zoals parels aan een snoer. Het
was meer een mengeling, een vaak tegelijk optreden van verschillende
favorieten. De mannen aan wie ze haar toestand kenbaar maakte,
hadden allen op die andere favorieten gewezen, en Betsy had begrip
getoond voor hun argumenten en niemand openlijk aansprakelijk
gesteld.
Ze had het haar ouders niet durven vertellen. Zij waren al zo oud en
hun jeugd lag al zo ver in het verleden. Ze zouden het nooit hebben
begrepen en onvermijdelijk hebben gevraagd: 'Wie?' En dat was nu
juist de vraag waarop Betsy geen antwoord wist. Ze zouden nog hebben
willen begrijpen dat zoiets in de liefde kon gebeuren. Dat was al
vaker voorgekomen. Maar dan moest die liefde toch wel tot één man
beperkt zijn gebleven. In dat geval zou ze ook wel een antwoord
hebben kunnen geven op de vraag: 'Wie?' Betsy realiseerde zich dit
ten volle. Zij wilde zichzelf en haar ouders een pijnlijke discussie
besparen en vertelde niets.
Maar de tijd gaat voort en het leven verder. Toen de voortekenen
duidelijker werden en ze begreep dat haar tijd was gekomen, stapte
ze een politiebureau binnen.
'Waar komt u voor?' zei de brigadier achter de balie.
'Ik moet bevallen,' zei Betsy.
De brigadier stond van achter zijn bureau op en monsterde de
gestalte van de jonge vrouw. 'Het is hier geen kraaminrichting,' zei
hij.
'Dat weet ik,' zei Betsy, 'maar daar is het nu te laat voor.'
De brigadier zag het en riep twee agenten. 'Ze moet bevallen,' zei
hij, terwijl hij naar de vrouw knikte.
De agenten namen haar mee naar de wachtkamer en de brigadier belde
de Geneeskundige Dienst.
Ze kwamen te laat. Op de tafel waaraan in hun vrije uurtje de
agenten hun boterham aten en een kaartje legden, beviel Betsy van
haar eerste kind: een jongen. De agenten hadden haar hand
vastgehouden en geholpen, voor zover hun voor dit werk onbekwame
knuisten dat konden. Ze waren lief voor haar geweest zonder
bijbedoeling. Ze hadden niet gevraagd: 'Wie?' Het scheen hun weinig
te interesseren. Ze hadden slechts geholpen toen het nodig was.
Daarom had ze aan die brigadier gevraagd hoe hij heette. 'Jan,' zei
hij, en nog wat. Dat 'nog wat' had ze vergeten, maar haar eerste
kind had ze Jan genoemd.
Sinds de geboorte van Jantje leefde ze slechts tweeënvijftig dagen
per jaar; alleen de zondagen, wanneer ze haar kind en later haar
kinderen bezocht. De dagen daartussen zat ze op de wallen en bouwde
aan die zondagen. ledere klant een bouwsteen voor een droompaleis.
De laatste tijd is Betsy een beetje terneergeslagen. Ze is nog
steeds voor haar kinderen een fee op zondag. Maar hoe lang nog?
Jantje is al twaalf jaar. Een pienter jochie. Hij wil verder leren
en het zal aan Betsy niet liggen. Jantje zal kunnen leren, zolang
hij wil. Betsy zal daarvoor zorgen. Ze is trots op haar oudste, zo
trots als een moeder maar zijn kan.
Maar Betsy is niet alleen trots op haar zoon, ze is ook angstig. Bij
haar laatste bezoeken heeft Jantje haar vragen gesteld. Moeilijke
vragen. Jantje gelooft niet meer in feeën met een toverstaf. Betsy
had geen antwoord gegeven op zijn vragen, maar ze had zijn peinzende
blik wel gezien. Ze was die zondag opgewekt geweest en vrolijk. Te
opgewekt en te vrolijk met een wild kloppend hart. Jantje had niet
meer gevraagd, maar ze wist dat die vragen zouden terugkomen.
Voor het eerst sinds jaren ziet Betsy tegen de zondag op.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|