|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Dat mens van éénhoog
Toen ik die middag aan de Warmoesstraat kwam, gaf
een collega mij een brief. Op de envelop stond 'Aan resusseur' en
dan mijn naam. Geen postzegel, geen afzender.
'Van wie is die brief?'
'Van dat oude vrouwtje.'
Ik wist onmiddellijk wie hij bedoelde.
'Is... is ze vanmorgen weer hier geweest?'
Hij keek me strak aan en ik dacht in zijn ogen iets van verwijt te
lezen.
'Dat zou moeilijk hebben gekund,' zei hij toonloos. 'Ik heb haar
vanmorgen dood in haar woning gevonden.'
Ik schrok, en de hand waarin ik de brief hield trilde.
'De buren,' ging hij verder, 'hadden in twee dagen niets van haar
gehoord of gezien. Ze vonden dat vreemd en waarschuwden ons. Toen ik
de deur had opengebroken, vond ik haar. Ze zat in een armstoel bij
een leeggebrande kachel. Ik heb nog aan kolendampvergiftiging
gedacht, maar de dokter zei dat het een gewone hartverlamming was.'
Hij sprak op een zakelijke recherchetoon, zonder een spoortje van
ontroering. 'Die brief stond op de tafel tegen een vaasje. Ik las er
jouw naam op en dus heb ik hem meegenomen.'
'Dank je.'
Hij keek me wat schuins aan. 'Zeg, dat was toch dat oude vrouwtje
dat je een paar dagen geleden wat... eh, onelegant de deur hebt
uitgewerkt?'
Ik stoof op. Ik voelde het bloed naar mijn hoofd stromen en
schreeuwde veel harder dan mijn bedoeling was: 'Ik heb dat mensje
goed behandeld. Daar valt niks op aan te merken.'
Hij stak afwerend een hand op. 'Ik bedoel er niets mee. Je had het
druk. Dat weten we toch. Ik zou er maar niet over tobben. Ze is nou
toch dood.
Ik knikte peinzend en overwoog of ik het vrouwtje toch niet beter
wat anders dan de waarheid had kunnen vertellen.
Ze woonde in een kort straatje dat naar een gracht
voerde. Haar woninkje lag op de tweede etage van een oud huis,
waarvan de buitendeur nog uit twee helften bestond. Ze woonde daar
al heel lang. Vanaf haar trouwdag. Het oude krotje was voor haar als
het ware een grote kapstok, waaraan ze al haar herinneringen kon
ophangen. Alles sprak tot haar. De muren, de tafel, het oude
kacheltje. Alles sprak een taal waarin elke zin begint met de
woorden 'Weet je nog?'
En ze wist het. Daar was bijvoorbeeld die vaas op de hoek van de
schoorsteen. Een foeilelijk prul, uitgevoerd in een
kleurencombinatie die zelfs een kleurenblinde pijnlijk zou hebben
getroffen. Maar het vrouwtje zag de kleuren niet. Ze zag slechts
haar zoon Kees, die 's avonds laat met die vaas onder een arm was
thuisgekomen. Hij had het prul gewonnen in een schiettent. Het had
hem zeven dubbeltjes gekost, veel geld voor die tijd. Ze had hem om
zijn verkwisting berispt, maar de vaas een ereplaatsje op de
schoorsteenmantel gegeven. En daar stond hij nog steeds.
Vlak naast de deur hing aan een haak de das van Henk. Ze had hem
zelf gebreid. Henk hoestte altijd zo. Zwakke longen, had de dokter
gezegd. Ze had hem elke dag levertraan gegeven, en er was een flinke
man uit hem gegroeid. Trouwens, al haar kinderen waren flinke mensen
geworden. Ze had er drie in haar woninkje grootgebracht. Het was een
hele opgave geweest, want haar man was vroeg gestorven. Haar Henk,
ja, die leek nog het meest op dat portret van vader in de ovale
lijst aan de muur.
Ze had mij dat alles en nog meer verteld, toen ik haar de eerste
keer een bezoek bracht. Dat was naar aanleiding van een brief die ze
had geschreven aan 'de Kommisarus van Polisie'. Ze had in haar brief
haar nood geklaagd over 'dat mens van éénhoog' dat haar post
verscheurde. Ik had haar klacht in behandeling gekregen.
Ik voelde direct sympathie voor het vrouwtje. Ze was zo lief, zo
moederlijk, dat ik mij in haar nabijheid een kleine jongen voelde.
Na een korte inleiding vroeg ik haar waarom ze er zo van overtuigd
was dat de buurvrouw van éénhoog haar post verscheurde.
'Dat is toch heel eenvoudig. Ik krijg geen post meer. Voor mij zit
er nooit meer wat in de brievenbus.'
'Van wie moet die post dan komen?'
Ze glimlachte vertederd. 'Van mijn jongens natuurlijk. Ze schrijven
me elke dag.'
'Elke dag?'
Ze knikte heftig.
'Leven ze nog? Alle drie?' vroeg ik voorzichtig, want ik kreeg zo'n
vaag vermoeden dat er geen brievenverscheurende buurvrouw was.
'Ja,' zei ze overtuigend, 'in Canada, en ze maken het best.'
Ze ging in een stoel tegenover me zitten en streek een onzichtbaar
stofje van het pluche tafelkleed. Ik zag dat er een verandering in
haar plaatsvond.
Plotseling zei ze met een heel andere stem: 'Ze moesten zo nodig
emigreren. En hou ze dan eens tegen. Ik zeg weleens tegen mijzelf:
Daar heb je nou je hele leven voor geploeterd.' Er kwam een
verdrietige uitdrukking op haar gezicht vol rimpeltjes. 'Maar wat
doe je? Je laat ze gaan en hoopt er het beste van. Zo is het toch,
meneer?'
Ik knikte. Ik liet haar nog een tijdje in gedachten verzonken zitten
en nam daarop afscheid.
Voor ik wegging, vroeg ik nog: 'Ze schrijven u toch elke dag?'
Ze keek verwonderd op. 'Ja, ja, de jongens, ja, die schrijven me
elke dag. Maar dat mens van éénhoog, die verscheurt de brieven
en...'
'Het is goed,' onderbrak ik haar. 'Ik zal het voor u onderzoeken. U
hoort nog van me.'
Dat mens van éénhoog bleek een vrouw in een nauwsluitende pantalon
en een uitdagend bloesje, die haar woning hypermodern had ingericht.
Hier geen herinneringen. Alleen maar effen gladde meubeltjes.
Uitgebalanceerde doelmatigheid zonder franje. Ze vroeg niet eens wie
ik was of waarvoor ik kwam, maar bood me dadelijk een stoel aan. Ik
nam wat onwennig plaats in een soort hangmat op poten en vertelde
wie ik was.
'Zo, een rechercheur. Nou, dat is grappig. Ik heb nog nooit een
rechercheur van zo dichtbij gezien.'
Ik maakte haar duidelijk dat ik geen bezienswaardigheid was en vroeg
haar op de vrouw af of zij de brieven van het oude mensje
onderschepte.
'Gut, meneer, hoe komt u daar nu bij?'
'Dat beweert dat oude vrouwtje van tweehoog.'
Ze klakte medelijdend met de tong. 'O ja, meneer, dat weet ik. Ze is
al een paar maal bij mij aan de deur geweest om drie brieven. Maar
ik heb er niet één. Ze krijgt nooit post. Toen ik hier pas kwam
wonen, dat is nu zo'n anderhalf jaar geleden, kwam er voor haar nog
weleens een brief. Ik meen uit Canada. Maar al meer dan een jaar is
er geen post voor haar geweest.'
'Haar drie kinderen zijn naar Canada geëmigreerd. Het vrouwtje
beweert dat ze haar elke dag schrijven.'
'Och, rechercheur, gelooft u dat nou echt? Die kinderen hebben wel
wat anders aan hun hoofd.'
Ik moest toegeven dat ik 'elke dag een brief' wel wat overdreven
vond, maar ik kon me toch niet indenken dat de kinderen al in ruim
een jaar niet hadden geschreven. Ik vroeg nog hoe laat de
brievenbesteller gewoonlijk kwam, en nam vervolgens afscheid.
De volgende morgen wachtte ik de postbode op. Het was al een oude
baas met een vriendelijk gezicht, die zijn PTT-pet joviaal op één
oor droeg. Het straatje naar de gracht behoorde al jaren tot zijn
wijk en hij kende er iedereen. Ook het oude vrouwtje.
'Heeft u nooit post voor haar?'
De postbode krabde zich achter het vrije oor. 'Laat eens kijken. Het
is toch zeker al een jaar geleden dat ik een brief voor ouwe
juffrouw Bakels had. In het begin schreven haar kinderen in Canada
geregeld. Maar u weet hoe dat gaat. Het zakt af.'
'Maar nu hebben ze haar al in een jaar niet geschreven. Het is toch
waarachtig een kleine moeite. Al stuurden ze af en toe maar een
kaartje.'
Ik kon er niets aan doen dat er pure verontwaardiging in mijn stem
klonk. Het was nu wel duidelijk dat er geen brieven werden
verscheurd of achtergehouden, maar dat de kinderen te lamlendig
waren om te schrijven. 'Het is een schande,' riep ik. 'Dat oude mens
heeft altijd voor ze geploeterd en...'
De oude postbode onderbrak me. 'Och meneertje,' zei hij, 'u moet
zich daarover niet opwinden. Kijk nou naar mij. Ik heb zelf een zoon
in Australië, en denkt u dat hij schrijft?' Hij maakte de zin niet
af en liep plompverloren bij mij vandaan, zijn wijk in, de zware
brieventas op een scheefgezakte heup.
Ik voelde mij ellendig. Wat moest ik doen? Moest ik naar het
vrouwtje gaan en haar zeggen dat er niemand was die haar post
verscheurde, dat er geen brieven meer kwamen eenvoudig omdat haar
kinderen niet meer schreven? Moest ik haar dat zeggen? Of moest ik
een leugentje verzinnen, waardoor ze het geloof in de liefde van
haar kinderen behield? Welk leugentje? Ik bedacht er een hele serie,
maar hoe dichter ik bij haar huisje kwam, des te minder geschikt ik
ze vond. Zou ik het met die moderne buurvrouw op een akkoordje
gooien en haar gebruiken als dekmantel voor de lamlendigheid van de
kinderen en zeggen dat het toch 'dat mens van éénhoog' was die de
brieven verscheurde? Tenslotte verwierp ik dat plannetje en gokte op
de waarheid.
Toen ik voor het oude vrouwtje stond, ontbrak me de moed. Ik
brabbelde wat over een moeilijk onderzoek, dat nog wel even kon
duren.'
'U vertelt het me toch wel, hè?'
Ik knikte en nam haastig afscheid.
Het was ongeveer een week daarna. Ik zat in de recherchekamer en had
het erg druk. Rondom mijn bureau zaten drie heren in dure pakken;
uitgekookte zakenlui, die ondanks hun 'uitgekooktheid' toch het
slachtoffer waren geworden van een geraffineerde oplichter. Ik houd
niet van keiharde zakenmensen, want hun manier van zakendoen lijkt
vaak op een soort kannibalisme in gecultiveerde vorm. Maar de
oplichting was belangrijk. Er waren grote bedragen mee gemoeid en ik
had al mijn interesse nodig om de manipulaties van de oplichter te
doorzien.
Ik vertel dit alles nogal uitvoerig om het knagende gevoel van
onbehagen, dat ik nog steeds heb, van me af te schrijven. Terwijl ik
met de heren confereerde, kwam ze de recherchekamer binnen. Ik zag
haar onmiddellijk. Ze had een ouderwets hoedje op en bleef
bedremmeld bij de deur staan.
Ik liep achter mijn bureau vandaan en ging naar haar toe. Ik was een
beetje geprikkeld, maar wist niet waarom.
'Weet u al wat?' vroeg ze.
Ik voelde dat ik haar nu toch maar de waarheid moest zeggen. 'Hoor
eens. moedertje.' zei ik, 'nu moet u eens goed naar mij luisteren.
Er is niemand die uw brieven verscheurt. Uw kinderen in Canada
hebben, denk ik, veel aan hun hoofd. Ze moeten daar hard werken.'
Ze keek me argwanend aan. 'U bedoelt... dat ze geen tijd hebben om
te schrijven?'
Ik knikte. Ik zag hoe de blik in haar ogen veranderde. Haar mond
begon te trillen.
'Dat liegt u,'gilde ze. 'U zegt maar wat. U hebt het niet goed
onderzocht. Mijn kinderen... mijn kinderen schrijven. Dat mens...
dat mens van éénhoog... die... die...'
Ze gilde zo luid, dat al mijn collega's geschrokken opkeken. Ook de
heren in hun dure pak draaiden zich op hun stoel om.
Ik probeerde haar te kalmeren. 'Luister nu eens,' zei ik.
Ze was niet tot bedaren te brengen. Ze strompelde de gang in, terug
naar de trap. Beneden hoorde ik haar nog roepen.
'Hij liegt. Ze schrijven... ze schrijven elke dag...'
Een moment overwoog ik haar achterna te rennen, maar ik bedacht dat
het toch geen zin had. Boven aan de trap bleef ik staan tot ik haar
niet meer hoorde. Toen ging ik terug naar de heren.
Zo is het gegaan. Precies zo. Twee dagen daarna
vertelde mijn collega dat hij haar dood in haar kamer had gevonden
en gaf hij mij die brief. Ik scheurde met trillende vingers de
envelop open.
Beste resusseur, stond er. Vergeef een
moeder, dat ze zich zo slecht heeft gedragen in het bero. U had
gelijk. Ze schreven niet. Eigenlijk wist ik het zelf wel, maar hel
was zo moeilijk te geloven.
Uw dienstw. dienaar,
juffrouw Bakels
ps. Als u dat mens van éénhoog ziet, zeg haar dan
dat het mij spijt.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|