|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Nogmaals Raymond Vandebroecke
Het mysterieuze verhaal van mevrouw Dupont had mij
diep geschokt. Vrij laat nam ik afscheid van de oude speurder en
liep in gepeins verzonken naar huis. Ik woon niet ver van Raymond
vandaan. Nog geen twintig minuten gaans door een laan met oude bomen
en verwilderd struikgewas. Onderweg keek ik voortdurend om mij heen
en ontwaarde spoken, witte wieven en monsterlijke gedrochten.
Angstaanjagende beelden uit mijn jeugd kwamen terug in mijn
herinnering en ik slaakte een zucht van verlichting, toen ik
ongedeerd de deur van mijn woning achter mij had gesloten en de
intieme behaaglijkheid van mijn eigen huiskamer voelde als een
beschermende omarming.
Toch kon ik het niet nalaten mijn goede vriend een paar dagen later
opnieuw te bezoeken. Raymond Vandebroecke was die avond wat
zwijgzaam. Zwijgzamer dan gewoonlijk. Het leek alsof hij telkens in
mijmeringen verzonk, alsof hij zich, minutenlang, niet bewust was
van mijn aanwezigheid.
Wanneer hij met een glas cognac bij het open haardvuur zat, lukte
het mij in de regel wel hem na enige tijd te verleiden tot het
vertellen van een prachtig verhaal, dat hij putte uit een rijke bron
van ervaringen.
Terwijl ik erover nadacht met welke opmerkingen ik zijn
herinneringen wakker kon schudden, zei hij plotseling:
'Amice, geloof jij in animatisme?'
Ik keek hem verbaasd aan. 'Wat is animatisme?'
Hij leunde achterover in zijn leren fauteuil. 'Animatisme is
afgeleid van anima, het Latijnse woord voor ziel. Het is een
primitieve levensbeschouwing, die uitgaat van de gedachte dat alle
objecten, levend en niet-levend, een ziel hebben.'
Ik keek hem schattend aan. 'Geloof jij dat?'
Raymond Vandebroecke antwoordde niet direct. Hij spreidde de vingers
van zijn beide handen en drukte de vingertoppen tegen elkaar. 'Ik
heb,' formuleerde hij voorzichtig, 'in mijn rechercheloopbaan tal
van gevallen meegemaakt die mij toch aan het denken brachten.'
'Of voorwerpen mogelijk een ziel hebben?'
Hij knikte traag. 'Zoals bij het geval Lucy.'
Ik schoof naar het puntje van mijn fauteuil in de blijde verwachting
van een nieuw verhaal. 'Wat was er met Lucy?' vroeg ik hoopvol.
Raymond Vandebroecke ontweek mijn vraag. Hij wees naar een
verschoten mandje van pitriet op een hoek van de schoorsteenmantel.
'Ik ben doorgaans een nuchter mens. Dat mag je van mij aannemen.'
Hij zweeg even. 'Dat mandje van pitriet heb ik gekregen van een
jonge inbreker. Tijdens een nachtelijke klimpartij langs een
verrotte regenpijp viel hij van een tweede etage en kwam als
tijdelijk invalide in een revalidatiecentrum terecht. Daar maakte
hij dat mandje voor mij en stuurde mij dat met een briefje waarin
hij mij bezwoer nooit meer op het dievenpad te gaan. Hij hield
woord. En daarom doe ik dat mandje, tenzij het als stof uit elkaar
valt, nooit weg.'
Ik glimlachte beleefd. 'Maar dat mandje is niet bezield.'
'Er kleven herinneringen aan.'
'Dat is niet hetzelfde.'
Raymond Vandebroecke staarde in het vuur van de open haard. 'Het
mandje spreekt voor mij een taal.' Hij wreef over zijn voorhoofd en
scheen weer in mijmeringen te verzinken.
'Je zou mij over Lucy vertellen,' zei ik hard. Ik kon er niets aan
doen dat mijn stem wat bestraffend klonk.
Hij keek wat verstrooid naar mij op. 'Ja, ja,' sprak hij
hoofdknikkend. 'Lucy. .. arme Lucy Gelderman.' Hij zuchtte diep. 'Op
een avond, vrij laat - mijn dienst was bijna afgelopen - kreeg ik
aan de Warmoesstraat een telefoontje van een ontdane vader, die mij
vertelde dat zijn vrouw en hij, bij hun thuiskomst, hun dochter Lucy
dood op de bank in de woonkamer hadden gevonden. Er waren volgens
hem tekenen, die erop wezen dat Lucy door een misdrijf om het leven
was gekomen.
Ik noteerde naam en adres, pleegde snel een paar telefoontjes en
trok mijn jas aan. Omdat men in de oude binnenstad van Amsterdam
sneller te voet gaat dan met een auto, stapte ik door de regen naar
een statig pand aan de Herengracht. De vader deed open en leidde mij
via een met wit marmer beklede gang naar de woonkamer.
Dochter Lucy lag op haar rug op de bank. Een enkele blik was
voldoende om mij ervan te overtuigen dat ze dood was. Ze was
gedeeltelijk ontkleed en aan haar hals ontdekte ik
strangulatieplekken. Het meisje was duidelijk door verwurging om het
leven gekomen, hetgeen ook later door de dokter van de doodschouw
werd bevestigd.
Vader Gelderman vertelde mij dat zijn vrouw en hij die avond naar de
schouwburg waren geweest. Hun negentienjarige dochter Lucy zou
bezoek ontvangen van Arnold van Weeren, een zevenentwintigjarige
jongeman met wie zij enige maanden tevoren had kennisgemaakt.'
De moordenaar?'
Raymond Vandebroecke beduidde mij te zwijgen. 'Voor alle zekerheid,'
ging hij verder, 'onderzocht ik het huis op sporen van braak. Die
waren er niet. Toen ik in de woonkamer terugkwam, bekeek ik de dode
nog eens zorgvuldig. Lucy was een mooie jonge ontluikende vrouw met
een blanke, bijna roomkleurige huid. Lang zwart haar omlijstte haar
lieve gezicht. Het was door de verwurging iets opgezet. Op haar
gelaat lag nog een expressie van angst. Plotseling ontdekte ik naast
het lichaam op de bank een pop, een oude vormeloze lappenpop met een
plat roze hoofd, waarin een paar vreemde amandelvormige ogen. Ze
waren van glinsterend zijdedraad geborduurd en hadden een bijna
magische expressie.
Mevrouw Gelderman, die tot dan toe zachtjes snikkend in een fauteuil
had gezeten, stond op en kwam naar mij toe.
Lucy, zo vertelde ze mij, was bezeten van die pop. Toen ze op
vierjarige leeftijd met haar moeder langs een vlooienmarkt liep, had
ze de pop, liggend op een oud kleed, ontdekt. Ze had de pop
onmiddellijk in haar armen genomen en was niet meer te bewegen haar
los te laten. In arren moede had mevrouw Gelderman de pop toen maar
gekocht. Sindsdien waren Lucy en haar pop onafscheidelijk. Ze voerde
hele gesprekken met die bundel lappen en soms leek het alsof Lucy
luisterde naar een onhoorbare stem die uit de pop kwam.
De rechercheur wreef zich even achter in zijn nek. 'Omdat ik het
onbestemde gevoel had,' vervolgde hij, 'dat de pop iets met de dood
van Lucy had te maken, nam ik haar, na mijn onderzoek ter plekke,
mee naar het politiebureau.'
Ik boog mij iets naar voren. 'En die Arnold van Weeren?'
'Die arresteerde ik nog dezelfde nacht.'
'Bekende hij de moord?'
Raymond Vandebroecke schudde zijn hoofd. 'Aanvankelijk niet. Hij zei
dat hij niet verantwoordelijk was voor haar dood .. . dat ze nog
leefde, toen hij van haar wegging. Ze had hem zelf naar de deur
gebracht en dus moest er na zijn vertrek een ander het huis zijn
binnengedrongen en Lucy hebben aangerand.'
'Je geloofde hem niet?'
'Nee, ik geloofde hem niet. En dat zei ik hem ook. Arnold van Weeren
bleef echter hardnekkig ontkennen. Toen het mij niet lukte door zijn
pantser van leugens heen te dringen, dacht ik aan de pop. Ik trok de
lade van mijn bureau open en legde de pop voor hem neer.
Arnold van Weeren werd ineens lijkbleek. Hij maakte met zijn beide
handen afwerende bewegingen en schreeuwde: "Haal die pop weg! Haal
die pop weg!"
Ik begreep dat ik door middel van de pop invloed op hem kreeg. Ik
liet haar liggen en schoof haar nog iets verder naar hem toe. Hij
viel bijna van zijn stoel. Toen hij nogmaals schreeuwde dat ik de
pop moest weghalen, zei ik ijzig: "Als je mij de waarheid vertelt."
'
'En?'
Raymond Vandebroecke zweeg even. Toen vervolgde hij: 'Arnold van
Weeren bekende. Hakkelend en stotterend gaf hij de moord toe. Hij
had met Lucy op de bank in de woonkamer zitten vrijen. Aanvankelijk
stond ze hem bepaalde vrijheden toe, maar toen Arnold op een
daadwerkelijke gemeenschap aandrong, weigerde Lucy pertinent. Ze
liep van hem weg naar haar kamer en kwam terug met de oude
lappenpop, die ze beschermend voor haar buik hield. Arnold van
Weeren rukte de pop uit haar handen en vergreep zich aan Lucy. Toen
ze gilde, kneep hij haar keel dicht tot ze niet meer bewoog.'
'Verschrikkelijk.'
Raymond Vandebroecke knikte met een somber gezicht. 'Ik maakte de
zaak verder af en leidde Arnold van Weeren voor de officier van
justitie.
Toen ik van de voorgeleiding terugkwam, nam ik de pop uit de lade
van mijn bureau en stapte ermee naar vader en moeder Gelderman. Ze
wilden onder geen beding de pop terug hebben. Beiden toonden een
duidelijke afschuw. Het leek alsof die bundel lappen hun angst
inboezemde. Hij zuchtte. 'Ik heb de pop maar weer meegenomen naar
het bureau.'
Raymond zweeg opnieuw en staarde dromerig in het vuur. Het licht van
de vlammen danste over zijn markante gezicht.
'Twee dagen later,' ging hij verder, 'wist Arnold van Weeren uit het
huis van bewaring, waar hij was ingesloten, te ontsnappen. Hij had
een brok ijzer weten te bemachtigen en daarmee een bewaker
neergeslagen. De man was er ernstig aan toe en ik kreeg de opdracht
Arnold van Weeren op te sporen. Dat is mij niet gelukt. Arnold had
vermogende, invloedrijke ouders. Zij zullen hem zeker hebben
geholpen. Ik denk dat hij jaren ergens onder een valse naam heeft
geleefd.'
Het gezicht van Raymond Vandebroecke kreeg een enigszins norse
uitdrukking. Ik had de indruk dat hij niet verder wilde gaan, maar
intuïtief voelde ik dat het verhaal nog niet ten einde was.
'De pop,' zei ik.
De oude speurder keek met een droevige blik naar mij op. 'Dat.. . eh,
dat politiebureau aan de Warmoesstraat is een gek bureau.' Het klonk
als een verontschuldiging. 'Er gebeurt daar zoveel. Er dienen zich
telkens nieuwe zaken aan, zaken die steeds je volledige aandacht
vragen. Op den duur vergat ik Lucy, Arnold van Weeren en de pop.
Toen ik enige jaren geleden met pensioen ging en voor mijn opvolger
de laden van mijn bureau uitruimde, ontdekte ik, in een van de
onderste laden, de oude lappenpop. Misschien was het beter geweest,
als ik de pop toen had weggegooid, gewoon in een vuilnisemmer,
tegelijk met nog wat andere zaken. Maar dat kon ik niet. De pop
intrigeerde mij, fascineerde mij. Er kleefden zulke verschrikkelijke
herinneringen aan. Ik kon haar niet wegdoen. Ik nam de pop mee naar
huis. In mijn werkkamer timmerde ik haar met een spijker aan de
muur.
Het zal ongeveer een jaar na mijn pensionering zijn geweest, toen ik
plotseling het verwarrende gevoel kreeg dat de pop mij
beïnvloedde.'
'Hoe?'
Raymond Vandebroecke trok wat wrevelig zijn schouders op. 'Dat weet
ik niet. Onverklaarbaar. Het leek alsof ze een ziel had. Macht. Ik
werd eenvoudig gedwongen telkens naar die vreemd schitterende
amandelvormige ogen te kijken. Ik was mij daarvan bewust en het
irriteerde mij mateloos.'
De oude rechercheur nam een slok van zijn cognac.
'Ruim een kilometer hiervandaan ligt een viaduct in de snelweg naar
Utrecht. Ik wandel daar weleens met mijn hond. Ik had toen nog mijn
cocker-spaniel en die was al oud. Het talud van het viaduct is
begroeid met struikgewas en jonge bomen. Daartussen had ik ergens
een plekje ontdekt waar ik eens, zo had ik mij voorgenomen, mijn
hond zou begraven. Ik dacht aan dat plekje in verband met de pop. Op
een avond tilde ik haar van de spijker, verborg haar onder mijn jas
en ging met een kleine schep naar het talud. Ik groef een kuiltje en
legde de pop daarin. Nog even keek ik naar die vreemd starende ogen
en toen schepte ik er aarde overheen.'
Raymond Vandebroecke likte aan zijn lippen.
'Ik was nog geen honderd meter op weg naar huis, toen ik achter mij
een hevige klap hoorde. Toen ik omkeek, zag ik dat een auto over de
afrastering van het viaduct was gevlogen en een tiental meters
verder op de provinciale weg was gestort. Ik rende terug. Omdat ik
bang was dat de wagen in brand zou vliegen, trok ik het portier open
en sleepte een man achter het stuur vandaan. Hij was dood. Het licht
van een lantaarnpaal gleed over zijn gezicht. Ik herkende ... Arnold
van Weeren.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|