|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Azen Appie
Juwelen Jopie houdt van juwelen en Maupie Mazzel is
onder een gelukkig gesternte geboren; al die vaak schilderachtige
namen uit het wereldje van de prostitutie en de penoze hebben
namelijk een reële achtergrond. Ze vertellen in de regel iets over
de man of vrouw die zo'n bijnaam draagt, hoewel het vaak moeilijk is
de achtergronden te achterhalen. Zo is Azen Appie een nu wat belegen
slechterik, die in zijn glorietijd met het spelletje 'één, twee,
drie, klaveraas' een goed belegde boterham verdiende. Het spelletje
berustte op vertrouwen en vingervlugheid. Het vertrouwen kwam van de
zijde van het slachtoffer; de vingervlugheid bezat Appie.
In een openhartige bui, waaraan de 'jajem' mede schuld had, heeft
hij mij weleens verteld hoe het in zijn werk ging. Het was in een
klein kroegje aan een tafeltje achteraf, waar Appie met een leeg
borrelglaasje voor zich wat dromerig voor zich uit zat te staren.
Zijn demonstratie kostte mij maar één biertje, want er zit de klad
in. 'Eén, twee, drie, klaveraas' levert geen stuiver meer op.
Appie heeft mij uitgelegd waarom. 'Kijk,' zei hij, terwijl hij met
een al wat beverige hand een pakje smoezelige speelkaarten streelde,
'ik ben nog net zo handig als vroeger. Zoiets verleer je niet meer.
Ik mag dan wat ouder zijn geworden, maar verder ben ik niet
veranderd. Wat veranderde, zijn de mensen. Die zijn niet meer
hetzelfde. Ze hebben geen vertrouwen meer in een eerlijk gezicht.
Vroeger was dat anders. Vroeger keken de mensen je aan en wanneer je
dan trouwhartig terugkeek, had je hun vertrouwen gewonnen. Geloof
me, mijn eerlijke gezicht was mijn grootste kapitaal. Maar wat doe
je tegenwoordig nog met een eerlijk gezicht? Niks. Het is geen cent
meer waard.'
Azen Appie zette zijn eerlijke gezicht in een mistroostige plooi en
begon met routinegebaren het spel kaarten te sorteren. 'Je ziet,'
zei hij tegen mij, 'het is een eerlijk spel kaarten. Geen foefies en
geen vuiligheidjes. Heb ik nooit van gehouden. Ik ben altijd wat je
noemt een eerlijke oplichter geweest. De beunhazen in mijn vak, die
hebben de zaak bedorven. Die werkten met dubbele azen en dat soort
gein meer. Ik niet. Ik ken mijn vak. Ik kon ook altijd rustig mijn
spel kaarten uit handen geven. Hier, bekijk ze maar.'
Ik nam het spel kaarten van hem over en bekeek ze nauwkeurig. Hoewel
ik wel iets van valse speelkaarten weet, kon ik er toch geen
gebreken of vervalsingen aan ontdekken. Toen ik ervan overtuigd was
dat het 'eerlijke' kaarten waren, gaf ik het pakje aan Azen Appie
terug.
'Je hebt het gezien,' zei hij. 'Goudeerlijk.'
Hij schudde de kaarten op een manier die van grote ervaring getuigde
en trok er met plukkende vingers drie azen uit. Het waren hartenaas,
schoppenaas en klaveraas. Ik keek wantrouwend toe, vastbesloten mij
niet te laten bedotten, want ook ik behoorde tot de tegenwoordige
tijd en bezat geen vertrouwen in het beslist eerlijke gezicht van
Azen Appie.
Hij legde de drie azen open voor mij op het tafeltje neer. 'Nu moet
je speciaal goed op klaveraas letten,' zei hij, 'want daar gaat het
om.'
Ik schoof mijn stoel nog dichter naar het tafeltje om beter te
kunnen zien.
Voorzichtig keerde hij daarna de kaarten om, zodat ze met de ruggen
naar boven kwamen te liggen. Hij deed het zo voorzichtig en
langzaam, dat ik goed kon zien waar klaveraas lag. Daarna tilde hij
de kaarten nog eens stuk voor stuk op, zodat ik mij er nogmaals van
kon overtuigen welke van de drie klaveraas was.
Plots, in een vloeiende beweging, streek hij met zijn rechterhand
over de kaarten. Het was een soort bezweringsgebaar dat zo flitsend
werd uitgevoerd, dat mijn ogen de onderdelen daarvan niet konden
waarnemen. Hoe nauwlettend ik ook had toegekeken, mijn scherpe
waarneming was onvoldoende geweest om vast te stellen of Azen Appie
tijdens die beweging de kaarten had beroerd of niet. Ik was door dat
plotselinge gebaar enigszins van mijn stuk gebracht en voelde mij
wat onzeker. Toch was ik ervan overtuigd dat de kaarten nog net zo
lagen als vóór die flitsende beweging. Hij kon ze niet hebben
veranderd. Ik zat er toch zelf bij.
'Nou, dat is het dan,' zei Azen Appie verveeld. Hij had er zelf
blijkbaar geen geloof meer in.
'Wat nu?' vroeg ik.
'Eenvoudig,' zei hij. 'Je moet zeggen waar klaveraas ligt.'
Enigszins aarzelend, maar toch vol vertrouwen in mijn eigen
waarnemingen, tikte ik op de rug van de kaart die volgens mij
beslist klaveraas was. Het kon niet missen. Ik had immers goed
opgelet.
Azen Appie tilde de kaart die ik had aangewezen voorzichtig om. Het
was hartenaas.
Er gleed een treurige lach over zijn eerlijke gezicht toen hij mijn
verbazing zag. 'Je ziet het,' zei hij met een licht schouderophalen.
'Het is doodeenvoudig. Jammer, dat er geen brood meer inzit.'
Ik bestelde het beloofde biertje en probeerde hem tot een nieuwe
opvoering van het spelletje te verleiden. Het lukte niet. Hij
verviel weer in een zwijgend staren. De trouwhartige ogen in dat
eerlijke gezicht keken langs mij heen in het verleden. Blijkbaar
verwijlde hij weer dromerig in die andere tijd, toen een eerlijk
gezicht nog handelswaarde bezat.
'Waar leef je tegenwoordig van?' vroeg ik, toen hij zijn biertje
half had leeggedronken.
'Ik trek van Drees,' zei hij.
'Dat heet AOW tegenwoordig,' verbeterde ik.
'Voor mij blijft het Drees,' antwoordde hij nogal opstandig. 'Wat is
nou AOW? Vertel me es, wat is nou AOW? AOW is niks. Drees was een
man. Ik heb altijd veel vertrouwen in Drees gehad. Weetje, hij had
zo'n eerlijk gezicht. Hij kon je van die verkiezingsborden af zo
trouwhartig aankijken. Dat schept vertrouwen, geloof me. Drees had
net als ik een eerlijk gezicht. Ik geloof niet dat hij ooit 'één,
twee, drie, klaveraas' heeft gespeeld. Maar als hij het had gedaan,
jonge, jonge, wat had hij dan een poen kunnen verdienen!'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|