|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
De Cock en het lijk in bed
Het beroep van rechercheur bevat een element van
spanning dat men in weinig andere beroepen vindt. Die spanning
treedt niet zozeer op bij de behandeling van een zaak, maar ligt
veel meer in de verwachting van wat zal komen. De spanning bij de
behandeling van een zaak is meer incidenteel, omdat lang niet bij
alle recherchezaken van spanning sprake is. Want hoe enerverend het
beroep ook mag zijn, toch ontkomt ook een rechercheur niet aan een
complex van routinehandelingen die niet van sleur zijn te vrijwaren
en waaraan elke spanning ontbreekt.
De spanning die echter voortdurend blijft, is de verwachting. Elk
ogenblik kan zich een nieuwe zaak aandienen en een rechercheur weet
nooit van tevoren in welke verwikkelingen hij het volgende moment
zal geraken. Elke klop op de deur van de recherchekamer en elk
rinkelen van de telefoon kan het begin van een reeks verwikkelingen
betekenen. Vaak zijn die verwikkelingen gewoon en alledaags, zonder
verrassingen. Maar soms zijn ze zo absurd en fantastisch, dat zelfs
een door de wol geverfde rechercheur ze vol verbijstering ondergaat.
Rechercheur De Cock, door zijn collega's wegens zijn
scherpe tong en spitse geest weleens gekscherend 'gifkikker'
genoemd, kreeg op een avond een man aan de telefoon die hem met een
grafstem zei: 'Komt u even, er ligt een lijk in mijn bed.'
Rechercheur De Cock, die te levenslustig was om plezier in echte
lijken te kunnen hebben, dacht aan een grap. Dat is dan ook de reden
dat hij geheel in strijd met de ernst van zijn beroep antwoordde:
'En, wat zegt het lijk daarvan?' De man aan de telefoon bracht hem
op scherpe toon in herinnering dat lijken niet de gewoonte hebben
erg luidruchtig te zijn; hij maakte duidelijk dat hij geenszins in
een stemming was om zouteloze grapjes te kunnen waarderen.
De Cock begreep dat het ernst was. Hij noteerde de naam en het adres
van de man en vroeg hem aan de aangetroffen situatie niets te
veranderen.
Toen hij bij het opgegeven adres aankwam, stond de man al aan de
deur van zijn woning op hem te wachten. 'U bent van de recherche?'
De Cock knikte.
'Heb ik door de telefoon met u gesproken?'
'Ja,' zei De Cock, 'dat was ik.'
Zonder verder nog een woord te spreken bracht de man hem naar de
slaapkamer van zijn woning. De Cock nam de situatie nauwkeurig in
zich op en trachtte van het geheel een beeld in zijn hersenen te
fixeren, waarin elk onderdeel duidelijk te onderscheiden bleef. In
de slaapkamer op het bed, dat duidelijk was beslapen, lag het lijk
van een man. Alleen het hoofd was zichtbaar, verder was het lichaam
door een deken bedekt. Toen De Cock de deken wegtrok, zag hij dat de
man bijna geheel was ontkleed - hij droeg alleen een hemdje. De dode
lag uitgestrekt, enigszins dwars in het bed. Het gezicht was
paarsblauw.
De Cock, die in zijn leven al veel lijken had gezien, vermoedde dat
de man aan een hartverlamming was gestorven. Er waren geen
uiterlijke tekenen van geweld aan het lichaam van de man te
onderscheiden. Naar het zich liet aanzien was de man geen
gewelddadige dood gestorven. Zijn kleren lagen op een stoel naast
het bed. De kleding was keurig over de stoel gedrapeerd. De broek
lag opgevouwen over de zitting en het jasje hing over de leuning. In
de binnenzak van het jasje stak een portefeuille, waarin een
aanzienlijk bedrag aan geld. Uit de bescheiden in de portefeuille
bleek wie de man was.
Op zichzelf was hier gewoon sprake van een natuurlijke dood. Er
waren geen sporen die op misdrijf wezen. Het enige vreemde aan de
hele geschiedenis was, dat de man juist dit bed had uitgekozen om in
te sterven.
'Kent u deze man?' vroeg de rechercheur aan de bewoner.
'Nee, ik ken hem niet. Ik heb hem nog nooit eerder gezien.'
'Hoe komt die man dan in uw bed terecht?'
'Ik weet het niet. Daarom heb ik u gebeld.'
Nadat de rechercheur enige aantekeningen had gemaakt, zei hij: 'Gaat
u maar mee. Wij moeten samen eens praten.'
Rechercheur De Cock sloot de slaapkamer af en ging met de bewoner
naar de huiskamer. Nadat zij beiden in een fauteuil hadden
plaatsgenomen, vertelde de man dat hij ongeveer een uur geleden was
thuisgekomen. Hij was naar de keuken gegaan en had daar een kop
koffie voor zichzelf klaargemaakt. Omdat hij een nogal vermoeiende
dag achter de rug had, besloot hij vroeg naar bed te gaan. Nadat hij
twee koppen koffie had gebruikt, begaf hij zich naar de slaapkamer.
Hij deed het licht in de slaapkamer aan en kreeg de schrik van zijn
leven, toen hij de dode man in zijn bed ontdekte. 'Ik verliet
onmiddellijk de slaapkamer en belde de politie,' besloot hij.
'Toen u thuiskwam, hebt u toen nog iets bijzonders opgemerkt?'
'Nee, de buitendeur was normaal op slot.'
'Hebt u nog sporen van inbraak waargenomen?'
'Nee, maar ik heb daar eigenlijk niet zo op gelet.'
Samen met de man onderzocht de rechercheur de hele woning, maar
nergens was een spoortje van braak te vinden.
'Hoe komt die dode man dan in uw woning?'
'Ik weet het echt niet, rechercheur. Ik begrijp er niets van.'
Voor de zekerheid doorzocht De Cock nog eens de zakken van de
kleding van de dode man. Er bestond altijd nog de mogelijkheid dat
deze - uiteraard toen hij nog leefde - met een valse sleutel de
woning was binnengedrongen. Maar geen van de sleutels die de dode
man bij zich had, bleek op het slot van de buitendeur te passen.
Omdat ook alle ramen degelijk waren afgesloten, bleef de
aanwezigheid van het lijk een raadsel.
Toen ze weer in de huiskamer waren gaan zitten, begon rechercheur De
Cock een zware 'Van Nelle' te rollen. Het was een routinegebaar, dat
hem de gelegenheid bood even rustig na te denken. Nadat hij zijn
'sjekkie' in de brand had gestoken, keek hij door een wolk van rook
naar de man die tegenover hem in een fauteuil zat. 'U bent
getrouwd?' vroeg hij.
'Ja,' zei de man. 'Mijn vrouw ligt in het ziekenhuis.'
'Niets ernstigs, hoop ik?'
De man wreef zijn handen over elkaar en toonde voor het eerst iets
van emotie. 'Ik vrees dat het wel ernstig is,' zei hij. 'Ze is
opgenomen in een psychiatrische inrichting.'
Plotseling begon de man te huilen. 'Al maanden,' vertelde hij, 'doet
ze vreemd. Ik wist niet meer wat ik aan haar had. We hadden samen
altijd een goed leven gehad en daar was plotseling een eind aan
gekomen. Ik probeerde zo goed mogelijk voor haar te zijn, maar het
gaf allemaal niets. En nu heeft ze vanmorgen de hand aan zichzelf
willen slaan. Het is haar niet gelukt. Ze was in het water
gesprongen en wilde zich verdrinken. Iemand heeft haar gered en
daarna werd ze naar een psychiatrische inrichting gebracht. Ik kreeg
het bericht dat ze was opgenomen, toen ik op kantoor zat. Ik ben
direct naar haar toe gegaan. De dokter gaf mij toestemming met haar
te spreken. Ze heeft echter geen woord tegen mij willen zeggen. Ik
heb haar gebeden en gesmeekt mij te vertellen waarom ze het had
gedaan, maar ze zei niets. Ze bleef voor zich uitstaren en deed net
of ik er niet was. De dokter raadde mij toen aan weg te gaan. Ik zag
wel in dat dit maar het beste was.' De man zweeg en bleef in
gedachten verzonken in de fauteuil zitten.
De rechercheur wist niet goed wat hij moest zeggen. 'Bent u vanuit
het ziekenhuis regelrecht naar huis gegaan?'
'Nee, ik heb eerst nog een poosje rondgelopen om wat tot mijzelf te
komen. U begrijpt dat ik nogal overstuur was.'
'Misschien wordt uw vrouw wel spoedig weer beter,' troostte De Cock.
'Ik hoop het maar,' zuchtte de man.
'Overigens,' zei De Cock, 'zitten wij hier nog met het probleem van
het lijk.'
'Ja,' zei de man, 'ook dat nog. Ik was het door het verdriet over
mijn vrouw bijna vergeten.'
'Och, maakt u zich geen zorgen. Ook dat probleem zal wel worden
opgelost.'
De rechercheur waarschuwde een dokter voor de lijkschouwing. De
dokter verscheen en constateerde dat de man inderdaad aan een
hartverlamming was overleden. Het lijk werd door de Geneeskundige
Dienst uit de woning gehaald en de familie van de gestorvene werd
gewaarschuwd.
De rechercheur raadde de bewoner aan die nacht maar bij familie door
te brengen. 'Als ik de oplossing van het raadsel weet, dan kom ik
het u vertellen,' beloofde hij. Daarna sprak hij enige bemoedigende
woorden en nam hij afscheid met een ferme handdruk.
Op het politiebureau stond hij de vrouw van de gestorvene te woord.
Zij was naar het politiebureau gekomen om bijzonderheden over de
dood van haar man te vernemen. Rechercheur De Cock vertelde toen in
deze zaak zijn eerste leugen. Hij condoleerde haar met het verlies
van haar man en vertelde - in strijd met de waarheid - dat haar
echtgenoot op straat aan een hartverlamming was overleden.
De volgende dag bracht hij een bezoek aan de psychiatrische
inrichting en kreeg van de behandelende arts toestemming met de
vrouw te spreken. Het onderhoud dat hij met de vrouw had, duurde
lang en perste uit zijn ervaring alles wat hij over de menselijke
ziel te weten was gekomen. Hij had het nodig.
Toen de weerstand van de vrouw was gebroken, kreeg hij de
bevestiging van zijn vermoeden. De vrouw vertelde onder veel tranen
dat ze enige maanden tevoren een man had leren kennen. Hij was knap
en interessant. Uit de kennismaking was een verhouding gegroeid.
Wanneer haar echtgenoot naar kantoor was, bezocht de man haar in
haar woning. Zo ook gisteren. Ze had hem binnengelaten en na een
poosje waren zij samen naar bed gegaan. Plotseling zei de man dat
hij zich niet goed voelde en even later was hij dood. Haar eerste
impuls was een dokter te waarschuwen, maar in een flits drong het
tot haar door in welke situatie zij was komen te verkeren. Hoe moest
zij de aanwezigheid van het lijk in haar bed verklaren? Een moment
overwoog zij het lijk te verbergen. Maar waar en hoe? In haar
radeloosheid begon ze aan het lijk te schudden. Toen ze inzag hoe
nutteloos dat was, kleedde ze zich gehaast aan, sloot de woning af
en vluchtte de straat op. Hoe ze ook peinsde, ze zag geen oplossing.
Ze dacht aan de schande. Ze dacht aan haar man, die haar altijd
volkomen had vertrouwd, en besloot toen tot een wanhoopsdaad.
'Och, rechercheur, wat moet ik doen? Kunt u mij niet helpen? Mijn
man mag het nooit te weten komen.'
'Uw man heeft het lijk anders gisteren al gevonden,' zei De Cock.
'Maar kunnen wij niet iets bedenken?'
'Het beste is, dat u alles eerlijk aan uw man vertelt.'
'Nee,' gilde de vrouw, 'dat nooit!'
'Toch lijkt mij dat de beste oplossing,' zei De Cock.
'Nee,' herhaalde de vrouw, 'hij mag het nooit weten.'
De Cock was bang dat een voortzetten van het onderhoud nadelig voor
de gezondheid van de vrouw zou zijn en daarom nam hij afscheid van
haar. Hij zocht de behandelende arts op en vertelde hem van het
gesprek dat hij met de vrouw had gehad. 'Wat denkt u, zal ik haar
helpen?'
'Hoe wilt u dat doen?'
'Wel, misschien kan ik haar man wel een aannemelijke verklaring voor
de aanwezigheid van het lijk in het bed geven.'
'Een leugen dus,' zei de arts.
'Als therapie,' antwoordde De Cock met een glimlach.
'U weet zelf hoe ver u kunt gaan. Ik heb er geen bezwaar tegen.'
De Cock ging terug naar de vrouw. 'Ik wil u helpen,' zei hij.
De vrouw, die weer enigszins gekalmeerd was, keek hem dankbaar aan.
'Het enige dat u uw man moet vertellen is, dat u zich al maanden
vreemd en onrustig voelde. Gisteren kon u het in huis niet meer
uithouden en vluchtte de straat op. U hebt toen de deur achter u
open laten staan. Vooral dit laatste is belangrijk. U hebt de deur
niet achter u gesloten. Begrijpt u? Bovendien ben ik hier niet
geweest. U kent mij dus niet en ik heb dit onderhoud met u niet
gehad. De rest laat u maar aan mij over.'
De vrouw knikte begrijpend.
Met de dokter maakte hij de afspraak dat deze hem zou berichten,
wanneer de vrouw uit de inrichting werd ontslagen. Toen het bericht
kwam, wachtte hij nog een dag en ging toen naar de woning van het
echtpaar.
De man heette hem hartelijk welkom. Hij zag er opgewekt en vrolijk
uit. Toen de vrouw bezig was koffie in te schenken, zei De Cock
tegen hem: 'Ik heb u beloofd de oplossing van het raadsel te
vertellen. Het was eigenlijk erg simpel. Uit het onderzoek is
gebleken dat de dode man een ordinaire insluiper was. Vermoedelijk
heeft uw vrouw, toen zij die morgen wegging, vergeten de deur achter
zich te sluiten. Daarvan heeft de insluiper gebruik gemaakt. Toen
hij eenmaal binnen was, heeft hij de deur achter zich gesloten.
Vermoedelijk is hij daarna onwel geworden en is op uw bed gaan
liggen.'
'Het klinkt aannemelijk,' zei de man.
De Cock dronk zijn koffie en nam daarna afscheid.
De man bracht hem naar de deur. 'Wacht even,' zei hij, 'ik loop
zover met u mee.'
Toen zij voorbij een klein cafeetje kwamen, nodigde de man hem uit
mee naar binnen te gaan. Ze namen aan een tafeltje plaats.
'Wat zal het zijn?' vroeg de man. 'Een borrel?'
'Nee,' zei De Cock, 'in dienst drink ik nooit.'
De man keek hem lachend aan. 'Weet u,' zei hij, 'u bent een goed
mens.'
'Hoezo?' vroeg De Cock.
'U hebt mij een mooi verhaaltje verteld. Ik bedoel van die insluiper
en zo.'
De Cock wilde protesteren, maar de man beduidde hem te zwijgen.
'Ziet u,' zei hij, 'mijn vrouw heeft mij alles verteld. Ik weet nu
van de verhouding die zij met die man heeft gehad. Ze heeft mij
gezegd dat ze spijt heeft en ik heb haar alles vergeven.'
Rechercheur De Cock haalde zijn tabaksdoos te voorschijn en begon
een zware 'Van Nelle' te rollen. Toen hij zich in een wolk van rook
had gehuld, zei hij: 'Ik heb me bedacht, geef me toch maar een
borrel.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|