Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 33

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 7
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1995

 

De Cock en het lijk in bed

 

Het beroep van rechercheur bevat een element van spanning dat men in weinig andere beroepen vindt. Die spanning treedt niet zozeer op bij de behandeling van een zaak, maar ligt veel meer in de verwachting van wat zal komen. De spanning bij de behandeling van een zaak is meer incidenteel, omdat lang niet bij alle recherchezaken van spanning sprake is. Want hoe enerverend het beroep ook mag zijn, toch ontkomt ook een rechercheur niet aan een complex van routinehandelingen die niet van sleur zijn te vrijwaren en waaraan elke spanning ontbreekt.
De spanning die echter voortdurend blijft, is de verwachting. Elk ogenblik kan zich een nieuwe zaak aandienen en een rechercheur weet nooit van tevoren in welke verwikkelingen hij het volgende moment zal geraken. Elke klop op de deur van de recherchekamer en elk rinkelen van de telefoon kan het begin van een reeks verwikkelingen betekenen. Vaak zijn die verwikkelingen gewoon en alledaags, zonder verrassingen. Maar soms zijn ze zo absurd en fantastisch, dat zelfs een door de wol geverfde rechercheur ze vol verbijstering ondergaat.

 

Rechercheur De Cock, door zijn collega's wegens zijn scherpe tong en spitse geest weleens gekscherend 'gifkikker' genoemd, kreeg op een avond een man aan de telefoon die hem met een grafstem zei: 'Komt u even, er ligt een lijk in mijn bed.'
Rechercheur De Cock, die te levenslustig was om plezier in echte lijken te kunnen hebben, dacht aan een grap. Dat is dan ook de reden dat hij geheel in strijd met de ernst van zijn beroep antwoordde: 'En, wat zegt het lijk daarvan?' De man aan de telefoon bracht hem op scherpe toon in herinnering dat lijken niet de gewoonte hebben erg luidruchtig te zijn; hij maakte duidelijk dat hij geenszins in een stemming was om zouteloze grapjes te kunnen waarderen.
De Cock begreep dat het ernst was. Hij noteerde de naam en het adres van de man en vroeg hem aan de aangetroffen situatie niets te veranderen.
Toen hij bij het opgegeven adres aankwam, stond de man al aan de deur van zijn woning op hem te wachten. 'U bent van de recherche?' 
De Cock knikte.
'Heb ik door de telefoon met u gesproken?' 
'Ja,' zei De Cock, 'dat was ik.' 
Zonder verder nog een woord te spreken bracht de man hem naar de slaapkamer van zijn woning. De Cock nam de situatie nauwkeurig in zich op en trachtte van het geheel een beeld in zijn hersenen te fixeren, waarin elk onderdeel duidelijk te onderscheiden bleef. In de slaapkamer op het bed, dat duidelijk was beslapen, lag het lijk van een man. Alleen het hoofd was zichtbaar, verder was het lichaam door een deken bedekt. Toen De Cock de deken wegtrok, zag hij dat de man bijna geheel was ontkleed - hij droeg alleen een hemdje. De dode lag uitgestrekt, enigszins dwars in het bed. Het gezicht was paarsblauw. 
De Cock, die in zijn leven al veel lijken had gezien, vermoedde dat de man aan een hartverlamming was gestorven. Er waren geen uiterlijke tekenen van geweld aan het lichaam van de man te onderscheiden. Naar het zich liet aanzien was de man geen gewelddadige dood gestorven. Zijn kleren lagen op een stoel naast het bed. De kleding was keurig over de stoel gedrapeerd. De broek lag opgevouwen over de zitting en het jasje hing over de leuning. In de binnenzak van het jasje stak een portefeuille, waarin een aanzienlijk bedrag aan geld. Uit de bescheiden in de portefeuille bleek wie de man was. 
Op zichzelf was hier gewoon sprake van een natuurlijke dood. Er waren geen sporen die op misdrijf wezen. Het enige vreemde aan de hele geschiedenis was, dat de man juist dit bed had uitgekozen om in te sterven.
'Kent u deze man?' vroeg de rechercheur aan de bewoner.
'Nee, ik ken hem niet. Ik heb hem nog nooit eerder gezien.'
'Hoe komt die man dan in uw bed terecht?' 
'Ik weet het niet. Daarom heb ik u gebeld.' 
Nadat de rechercheur enige aantekeningen had gemaakt, zei hij: 'Gaat u maar mee. Wij moeten samen eens praten.'
Rechercheur De Cock sloot de slaapkamer af en ging met de bewoner naar de huiskamer. Nadat zij beiden in een fauteuil hadden plaatsgenomen, vertelde de man dat hij ongeveer een uur geleden was thuisgekomen. Hij was naar de keuken gegaan en had daar een kop koffie voor zichzelf klaargemaakt. Omdat hij een nogal vermoeiende dag achter de rug had, besloot hij vroeg naar bed te gaan. Nadat hij twee koppen koffie had gebruikt, begaf hij zich naar de slaapkamer. Hij deed het licht in de slaapkamer aan en kreeg de schrik van zijn leven, toen hij de dode man in zijn bed ontdekte. 'Ik verliet onmiddellijk de slaapkamer en belde de politie,' besloot hij.
'Toen u thuiskwam, hebt u toen nog iets bijzonders opgemerkt?'
'Nee, de buitendeur was normaal op slot.' 
'Hebt u nog sporen van inbraak waargenomen?' 
'Nee, maar ik heb daar eigenlijk niet zo op gelet.' 
Samen met de man onderzocht de rechercheur de hele woning, maar nergens was een spoortje van braak te vinden.
'Hoe komt die dode man dan in uw woning?' 
'Ik weet het echt niet, rechercheur. Ik begrijp er niets van.'
Voor de zekerheid doorzocht De Cock nog eens de zakken van de kleding van de dode man. Er bestond altijd nog de mogelijkheid dat deze - uiteraard toen hij nog leefde - met een valse sleutel de woning was binnengedrongen. Maar geen van de sleutels die de dode man bij zich had, bleek op het slot van de buitendeur te passen. Omdat ook alle ramen degelijk waren afgesloten, bleef de aanwezigheid van het lijk een raadsel.
Toen ze weer in de huiskamer waren gaan zitten, begon rechercheur De Cock een zware 'Van Nelle' te rollen. Het was een routinegebaar, dat hem de gelegenheid bood even rustig na te denken. Nadat hij zijn 'sjekkie' in de brand had gestoken, keek hij door een wolk van rook naar de man die tegenover hem in een fauteuil zat. 'U bent getrouwd?' vroeg hij.
'Ja,' zei de man. 'Mijn vrouw ligt in het ziekenhuis.' 
'Niets ernstigs, hoop ik?'
De man wreef zijn handen over elkaar en toonde voor het eerst iets van emotie. 'Ik vrees dat het wel ernstig is,' zei hij. 'Ze is opgenomen in een psychiatrische inrichting.'
Plotseling begon de man te huilen. 'Al maanden,' vertelde hij, 'doet ze vreemd. Ik wist niet meer wat ik aan haar had. We hadden samen altijd een goed leven gehad en daar was plotseling een eind aan gekomen. Ik probeerde zo goed mogelijk voor haar te zijn, maar het gaf allemaal niets. En nu heeft ze vanmorgen de hand aan zichzelf willen slaan. Het is haar niet gelukt. Ze was in het water gesprongen en wilde zich verdrinken. Iemand heeft haar gered en daarna werd ze naar een psychiatrische inrichting gebracht. Ik kreeg het bericht dat ze was opgenomen, toen ik op kantoor zat. Ik ben direct naar haar toe gegaan. De dokter gaf mij toestemming met haar te spreken. Ze heeft echter geen woord tegen mij willen zeggen. Ik heb haar gebeden en gesmeekt mij te vertellen waarom ze het had gedaan, maar ze zei niets. Ze bleef voor zich uitstaren en deed net of ik er niet was. De dokter raadde mij toen aan weg te gaan. Ik zag wel in dat dit maar het beste was.' De man zweeg en bleef in gedachten verzonken in de fauteuil zitten.
De rechercheur wist niet goed wat hij moest zeggen. 'Bent u vanuit het ziekenhuis regelrecht naar huis gegaan?'
'Nee, ik heb eerst nog een poosje rondgelopen om wat tot mijzelf te komen. U begrijpt dat ik nogal overstuur was.'
'Misschien wordt uw vrouw wel spoedig weer beter,' troostte De Cock.
'Ik hoop het maar,' zuchtte de man. 
'Overigens,' zei De Cock, 'zitten wij hier nog met het probleem van het lijk.'
'Ja,' zei de man, 'ook dat nog. Ik was het door het verdriet over mijn vrouw bijna vergeten.' 
'Och, maakt u zich geen zorgen. Ook dat probleem zal wel worden opgelost.'
De rechercheur waarschuwde een dokter voor de lijkschouwing. De dokter verscheen en constateerde dat de man inderdaad aan een hartverlamming was overleden. Het lijk werd door de Geneeskundige Dienst uit de woning gehaald en de familie van de gestorvene werd gewaarschuwd.
De rechercheur raadde de bewoner aan die nacht maar bij familie door te brengen. 'Als ik de oplossing van het raadsel weet, dan kom ik het u vertellen,' beloofde hij. Daarna sprak hij enige bemoedigende woorden en nam hij afscheid met een ferme handdruk.
Op het politiebureau stond hij de vrouw van de gestorvene te woord. Zij was naar het politiebureau gekomen om bijzonderheden over de dood van haar man te vernemen. Rechercheur De Cock vertelde toen in deze zaak zijn eerste leugen. Hij condoleerde haar met het verlies van haar man en vertelde - in strijd met de waarheid - dat haar echtgenoot op straat aan een hartverlamming was overleden.
De volgende dag bracht hij een bezoek aan de psychiatrische inrichting en kreeg van de behandelende arts toestemming met de vrouw te spreken. Het onderhoud dat hij met de vrouw had, duurde lang en perste uit zijn ervaring alles wat hij over de menselijke ziel te weten was gekomen. Hij had het nodig. 
Toen de weerstand van de vrouw was gebroken, kreeg hij de bevestiging van zijn vermoeden. De vrouw vertelde onder veel tranen dat ze enige maanden tevoren een man had leren kennen. Hij was knap en interessant. Uit de kennismaking was een verhouding gegroeid. Wanneer haar echtgenoot naar kantoor was, bezocht de man haar in haar woning. Zo ook gisteren. Ze had hem binnengelaten en na een poosje waren zij samen naar bed gegaan. Plotseling zei de man dat hij zich niet goed voelde en even later was hij dood. Haar eerste impuls was een dokter te waarschuwen, maar in een flits drong het tot haar door in welke situatie zij was komen te verkeren. Hoe moest zij de aanwezigheid van het lijk in haar bed verklaren? Een moment overwoog zij het lijk te verbergen. Maar waar en hoe? In haar radeloosheid begon ze aan het lijk te schudden. Toen ze inzag hoe nutteloos dat was, kleedde ze zich gehaast aan, sloot de woning af en vluchtte de straat op. Hoe ze ook peinsde, ze zag geen oplossing. Ze dacht aan de schande. Ze dacht aan haar man, die haar altijd volkomen had vertrouwd, en besloot toen tot een wanhoopsdaad.
'Och, rechercheur, wat moet ik doen? Kunt u mij niet helpen? Mijn man mag het nooit te weten komen.' 
'Uw man heeft het lijk anders gisteren al gevonden,' zei De Cock.
'Maar kunnen wij niet iets bedenken?' 
'Het beste is, dat u alles eerlijk aan uw man vertelt.' 
'Nee,' gilde de vrouw, 'dat nooit!' 
'Toch lijkt mij dat de beste oplossing,' zei De Cock. 
'Nee,' herhaalde de vrouw, 'hij mag het nooit weten.' 
De Cock was bang dat een voortzetten van het onderhoud nadelig voor de gezondheid van de vrouw zou zijn en daarom nam hij afscheid van haar. Hij zocht de behandelende arts op en vertelde hem van het gesprek dat hij met de vrouw had gehad. 'Wat denkt u, zal ik haar helpen?' 
'Hoe wilt u dat doen?'
'Wel, misschien kan ik haar man wel een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van het lijk in het bed geven.'
'Een leugen dus,' zei de arts.
'Als therapie,' antwoordde De Cock met een glimlach. 
'U weet zelf hoe ver u kunt gaan. Ik heb er geen bezwaar tegen.'
De Cock ging terug naar de vrouw. 'Ik wil u helpen,' zei hij.
De vrouw, die weer enigszins gekalmeerd was, keek hem dankbaar aan.
'Het enige dat u uw man moet vertellen is, dat u zich al maanden vreemd en onrustig voelde. Gisteren kon u het in huis niet meer uithouden en vluchtte de straat op. U hebt toen de deur achter u open laten staan. Vooral dit laatste is belangrijk. U hebt de deur niet achter u gesloten. Begrijpt u? Bovendien ben ik hier niet geweest. U kent mij dus niet en ik heb dit onderhoud met u niet gehad. De rest laat u maar aan mij over.' 
De vrouw knikte begrijpend.
Met de dokter maakte hij de afspraak dat deze hem zou berichten, wanneer de vrouw uit de inrichting werd ontslagen. Toen het bericht kwam, wachtte hij nog een dag en ging toen naar de woning van het echtpaar. 
De man heette hem hartelijk welkom. Hij zag er opgewekt en vrolijk uit. Toen de vrouw bezig was koffie in te schenken, zei De Cock tegen hem: 'Ik heb u beloofd de oplossing van het raadsel te vertellen. Het was eigenlijk erg simpel. Uit het onderzoek is gebleken dat de dode man een ordinaire insluiper was. Vermoedelijk heeft uw vrouw, toen zij die morgen wegging, vergeten de deur achter zich te sluiten. Daarvan heeft de insluiper gebruik gemaakt. Toen hij eenmaal binnen was, heeft hij de deur achter zich gesloten. Vermoedelijk is hij daarna onwel geworden en is op uw bed gaan liggen.'
'Het klinkt aannemelijk,' zei de man. 
De Cock dronk zijn koffie en nam daarna afscheid. 
De man bracht hem naar de deur. 'Wacht even,' zei hij, 'ik loop zover met u mee.' 
Toen zij voorbij een klein cafeetje kwamen, nodigde de man hem uit mee naar binnen te gaan. Ze namen aan een tafeltje plaats.
'Wat zal het zijn?' vroeg de man. 'Een borrel?' 
'Nee,' zei De Cock, 'in dienst drink ik nooit.' 
De man keek hem lachend aan. 'Weet u,' zei hij, 'u bent een goed mens.' 
'Hoezo?' vroeg De Cock.
'U hebt mij een mooi verhaaltje verteld. Ik bedoel van die insluiper en zo.'
De Cock wilde protesteren, maar de man beduidde hem te zwijgen. 'Ziet u,' zei hij, 'mijn vrouw heeft mij alles verteld. Ik weet nu van de verhouding die zij met die man heeft gehad. Ze heeft mij gezegd dat ze spijt heeft en ik heb haar alles vergeven.'
Rechercheur De Cock haalde zijn tabaksdoos te voorschijn en begon een zware 'Van Nelle' te rollen. Toen hij zich in een wolk van rook had gehuld, zei hij: 'Ik heb me bedacht, geef me toch maar een borrel.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week