|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1995 |
|
Wie was Annie?
Op de granieten vloer in de kelder van de afdeling
anatomie van een groot ziekenhuis in Amsterdam lagen vier verkoolde
lijken, lichamen van nog jonge mensen, drie meisjes en een man. Zij
vonden op vrijwel hetzelfde moment de dood, toen een verzengend vuur
hen in de slaap verraste. De lichamen verspreidden een geur van
geroosterd vlees. Die geur was zo doordringend, dat ik mij
voortdurend de aanwezigheid van de doden bewust was, ook wanneer ik
niet keek en trachtte koel zakelijk aantekeningen te maken.
Mijn taak was deze slachtoffers van een felle brand in een
Amsterdams hotelletje officieel te laten sterven. Het onderzoek naar
de oorzaak van de brand werd gedaan door mijn deskundige collega's
van het brandpiket.
Het is niet eenvoudig om officieel te sterven. De burgerlijke stand
kent twee registers: het register van geboorten en het register van
overlijden. Tussen die twee registers ligt het leven, het officiële
leven. De registers zijn onverbiddelijk. Staat in het register dat
iemand is gestorven, dan is dat een officieel feit waaraan niet te
tornen valt, ook al levert die 'iemand' het levende bewijs van het
tegendeel. Officieel sterven is dus een ernstige zaak.
In de registers staan slechts namen en data, bijvoorbeeld: Piet
Jansen, en daarachter het tijdstip waarop Piet uit dit tranendal
stapte. Maar wie was Piet Jansen? Was hij een nobel mens, een
sieraad voor zijn geslacht, of was hij eenvoudig een man die in de
geschiedenis geen verdere sporen naliet dan de beide vermeldingen in
de registers van geboorten en overlijden? Dat is nu de moeilijkheid
met die registers. Ze zijn zo onmenselijk. Bij elk mens behoort een
naam en een geboortedatum. Hij draagt die beide kenmerken met zich
mee en deze vormen de schakel tussen het werkelijke en het officiële
leven. Iemand zonder naam en geboortedatum bestaat eenvoudig niet.
Toch zijn deze kenmerken geen uiterlijke kentekenen van de mens. Ze
zijn slechts zijn officiële aanduidingen. Een mens heeft geen
brandmerk. De schakel tussen hem en die registers bestaat slechts in
zijn geest. Hij weet zelf wie hij is, welke naam hij draagt en waar
en wanneer hij is geboren. Wanneer een mens sterft, verliest hij de
mogelijkheid zijn geest te laten getuigen. Het heeft dan geen zin
meer te vragen: 'Wie bent u?' De verstarde mond zal geen antwoord
meer geven. Toch blijft voor de rechercheur die vraag actueel,
totdat het antwoord is verkregen en het sterven niet alleen een
natuurlijk gebeuren, maar ook een officieel feit is geworden.
En zo stond ik dan in die kelder bij de vier verkoolde lijken en
stelde mij de vraag: 'Wie zijn zij?'
Die vraag had mij al beziggehouden vanaf het moment dat de brandweer
de slachtoffers uit de rokende resten van het hotelletje had
opgediept en zij in witte lakens gehuld naar het ziekenhuis werden
overgebracht. Ik had door het ondervragen van de bewoners van het
hotel die aan de vuurdood waren ontsnapt, een paar aanwijzingen
gekregen en was ten slotte na het opmaken van een inventarislijst
gekomen tot vier namen. Van de brandweer had ik vernomen op welke
verdiepingen en waar de lijken waren gevonden, maar ik wist dat dit
weinig houvast bood, omdat in het betreffende hotelletje de meisjes
zich niet aan een eigen kamer gebonden voelden. Zij koesterden meer
belangstelling voor die kamers waar 'heren' verbleven. De
belangstelling was geen uiting van nieuwsgierigheid, maar was
gekocht. Een paar tientjes konden de belangstelling wel opwekken. De
contacten werden gelegd in een bar waar een juke-box jengelde. Een
van de meest favoriete nummers was Love for sale. De kwartjes
die de meisjes aan de juke-box verslingerden, beschouwden zij als
normale bedrijfsonkosten, waartoe ook behoorden geladderde kousen en
gescheurde onderkleding. Sommige 'heren' waren nogal onstuimig.
Ik zal geen kwaad spreken over de doden. Ik heb daar geen enkel
recht toe. Wanneer hun leven, naar welke maatstaven ook gemeten,
niet juist was ingericht, dan zullen zij nu wel geoordeeld zijn door
Hem die alle facetten kent. Ik ken ze niet en ik zal ze nooit
kennen. Het werk van een rechercheur is daarvoor te onvolkomen.
Nooit zal hij in staat zijn de gehele waarheid te onthullen. Slechts
een benaderde waarheid is het hoogst bereikbare resultaat in deze
wereld, waar slechts fragmentarische waarheden gangbaar zijn.
Vergeeft u mij mijn bittere toon. Het klinkt allemaal wat cynisch.
Ik weet het. Maar soms ontkom je daar niet aan. Ook een rechercheur
is maar een mens.
Een van de meisjes heette Annie. Ze was al drie dagen negentien
jaar, toen de dood haar overviel. Uit de verkoolde resten was ze
slechts te herkennen door de bijzondere stand van haar tanden. Dit
schoonheidsfoutje, dat haar tijdens haar leven vreselijk had
geërgerd, had zelfs het vuur niet kunnen uitwissen en bood nu een
betrouwbare identificatiemogelijkheid.
Bij de herkenningsseance speelden zich hartverscheurende tonelen af.
Er zijn maar weinig mensen die de confrontatie met een gruwzame dood
kunnen verdragen. Toch is zo'n herkenning onvermijdelijk. Zij moet
plaatsvinden om zekerheid te krijgen omtrent de identiteit van de
dode. Hoewel men in de loop der tijd wel gehard wordt tegen het leed
van anderen, is het toch steeds weer een hele opgave de familieleden
die voor de herkenning komen, voor te bereiden op hetgeen zij te
zien krijgen. Het is dan een zoeken en tasten naar woord en gebaar.
Ik benijd dominees en priesters, die in zulke omstandigheden
schijnbaar moeiteloos de juiste woorden vinden. Wanneer de zwarte
gordijnen worden weggeschoven en de dode wordt getoond, komt de
kritieke fase. Het beste is dan om van terzijde de gezichten van de
familieleden te bestuderen. Men kan dan onmiddellijk ingrijpen,
wanneer een van hen een onverwachte beweging mocht maken. Sommigen
vallen flauw of hebben aandrang zich op het lijk te storten; anderen
schreeuwen hun verdriet uit.
Het is een onderdeel van mijn beroep, maar ik zal er nooit aan
wennen. Bij dergelijke tonelen wordt mijn maag een onwillig orgaan
dat heftig protesteert. Gelukkig duurt een herkenning maar kort,
zodat ik in de regel wel in staat ben de rol van onaandoenlijk
rechercheur te spelen. Toch zijn dat van die ogenblikken waarop ik
mij in vertwijfeling afvraag, waarom ik ooit het beroep van
rechercheur heb gekozen.
Ik zal u de moeilijkheden die ik bij de identificatie van de lijken
ondervond, besparen. Zij waren meer van technische aard. Toen ik
eenmaal had vastgesteld wie de slachtoffers waren en de familie op
de hoogte had gesteld, was mijn taak ten einde. Ik behoefde niets te
weten over het leven van Els, Marie, Annie en Piet. De vaststelling
dat die Els, Marie, Annie en Piet bij de brand om het leven waren
gekomen, was voldoende voor het onverbiddelijke register van
overlijden.
Toch doemen onvermijdelijk achter die namen levens op. Levens die
bruisten van hartstochten en conflicten. Tijdens zo'n onderzoek
krijgen de namen wat meer reliëf. Els is dan niet zomaar een naam,
verbonden aan het lijk van een vrouw, maar een aantal
gebeurtenissen, verweven met een leven. Sommige van die
gebeurtenissen zijn verankerd in het geheugen van hen die raakpunten
vormden in het leven van de dode. Door met de mensen die deze
raakpunten vormden, te spreken, ontstaat een beeld van de man of de
vrouw die de dode in leven was. Men moet zich er altijd van bewust
zijn, dat de interpretatie van de op deze wijze verkregen gegevens
een uiterst delicate kwestie is. Objectiviteit is slechts
voorbehouden aan dingen zonder ziel. Hoe kan een mens ooit objectief
zijn in zijn oordeel?
Wie was bij voorbeeld Annie? Annie, die zich eraan ergerde dat haar
twee voorste snijtanden over elkaar waren gegroeid? Oordeelt u zelf
naar hetgeen anderen van haar zeiden. Ik heb Annie, net als u,
tijdens haar leven niet gekend. Haar foto toont een meisje met
blond, golvend haar en grote ogen in een ovaal gezichtje. Volgens de
gangbare maatstaven zou men zelfs kunnen zeggen dat ze mooi was.
Haar ouders woonden in een lange sombere straat. Ze
huisden in een kleine bekrompen woning. Ik trof beiden thuis toen ik
het bericht van haar dood bracht. Het is opvallend hoe verschillend
de mensen op een noodlotstijding reageren. Ik trachtte het bericht
van de dood van hun dochter zo te bemantelen, dat de schok niet te
groot zou zijn. Toen ten slotte de waarheid tot hen doordrong,
sprong de vader heftig op en begon in mijn bijzijn zijn vrouw met
bittere verwijten te overladen.
De vrouw zat met gebogen hoofd in een stoel en huilde zachtjes. Ze
reageerde niet op de heftige verwijten van haar man, was daar
blijkbaar aan gewend.
De vader liep driftig de kamer op en neer en schreeuwde bij
herhaling: 'Het is jouw schuld. Nou zie je het. Het is jouw schuld!'
Om aan deze beslist pijnlijke situatie een einde te maken bracht ik
de moeder naar het aangrenzende keukentje en waarschuwde een
buurvrouw om op haar te passen.
Toen ik bij de vader terugkwam, was hij enigszins gekalmeerd. Hij
zat handenwringend in een stoel voor zich uit te staren. Ik ging
tegenover hem zitten en keek naar zijn handen, die een leven van
hard werken verrieden. Om het gesprek op gang te brengen vroeg ik:
'Hebt u ... hebt u nog meer kinderen?'
'Ja,' zuchtte hij, 'nog een oudere dochter.' Hij schudde zijn hoofd.
'Nooit last mee gehad. Alles gewoon. Gewoon. Eerst verkering en toen
getrouwd.' Hij snoof. 'Maar deze ... deze.' Hij maakte zijn zin niet
af en wreef met zijn hand over zijn gezicht. 'Het is erg als je het
van je eigen kind moet zeggen. Het is erg. Maar ze was een slet. Een
slet, hoort u me, een slet.'
Ik legde mijn hand op zijn schouder. 'Rustig maar, rustig maar, het
heeft geen zin u op te winden.'
Hij zuchtte. 'Ik heb er alles aan gedaan. Alles. Maar als je eigen
vrouw je tegenwerkt, waar blijf je dan? Ik wist het niet. Ik wist
niet eens dat ze in dat hotelletje zat. Mijn vrouw, ze hield alles
voor mij verborgen. En nou zit ik, nou zit ik nog met die koter van
haar. Het kind zal niks te kort komen, daar niet van. O God, nee.
Het arme schaap kan er ook niks aan doen.' Hij richtte zijn hoofd
iets op. 'Maar begrijp je nou zo'n meid? Begrijp je dat nou? Waarom
is ze nou niet met de vader van dat kind getrouwd? De jongen wou
wel. Het was ook een nette jongen en hij had goed zijn brood.'
Plotseling werd hij milder. Tranen kwamen in zijn ogen en hij begon
hartstochtelijk te snikken. 'Mijn Annie, mijn Annie, mijn arme kind.
Het was zo'n schat, zo'n lieve schat, toen ze klein was. Ziet u, ze
was echt mijn oogappeltje, toen ze klein was. Maar ze worden groot,
ze worden groot en dan willen ze niet meer naar je luisteren. Dan
weten ze het beter. Ze weten het altijd beter. Ze denken dat je ze
als vader dwars wilt zitten. Dat je ze wilt pesten. Dat denken ze.
Maar je hebt toch alleen maar het beste met ze voor. Is het niet?'
Ik knikte.
'Mijn vrouw, zie je, mijn vrouw, die heeft haar verpest. Zie je, die
konkelde met haar buiten mij om. Ze ... Annie... mijn Annie.' Het
was een rauwe kreet.
Ik liet de vader, die niet tot verder spreken in
staat was, alleen in de kamer achter en ging naar het keukentje. De
buurvrouw sloop weg en ontfermde zich over de man.
De moeder keek mij met betraande ogen aan en stelde mij een paar
vragen, waarop ik een vaag antwoord gaf. Ik durfde haar geen details
over de dood van haar dochter te geven. Ik was bang dat ze dat niet
zou kunnen verwerken.
'Weet u,' begon ze, 'als mijn man, als mijn man, hè, als mijn man
maar wat meer begrip voor haar had gehad, dan ... dan was het nooit
zover gekomen. Het is een goeie vent, hoor, goed voor zijn kinderen,
daar niet van. Maar hij is zo opvliegend. Toen ze zwanger raakte,
toen wilde hij met alle geweld dat ze zou trouwen met die jongen met
wie ze een paar keer naar de bioscoop was geweest. Die jongen, ja,
die jongen wou wel. Maar zij niet. Kijk, het was zijn kind niet. Het
was geen kind van die jongen. Dat wist die jongen niet. Die jongen
dacht dat zij van hem zwanger was. Maar dat was niet waar, ziet u,
en daarom wou ze niet met hem trouwen. Mijn man weet dit niet. Ze
heeft het mij in vertrouwen verteld. Toen het kind was geboren en
zij nog steeds weigerde met die jongen te trouwen, toen heeft mijn
man haar de deur uitgezet. Kijk, meneer, dat had hij nou niet moeten
doen.'
Ze wreef met haar schort de tranen uit haar ogen. 'Een moeder, nee,
een moeder laat haar kind niet in de steek. Gut, ik wist wel dat ze
in dat hotelletje zat, en ik begreep ook wel wat ze daar deed. Ik
ben niet blind. Maar wat wil je. Ze was te tenger en te zwak om in
een fabriek te gaan werken en ze wilde het beste voor haar baby.' Ze
begon heviger te snikken. 'En nou .. . nou is ze er niet meer.'
Ik stond er wat verloren bij.
Plotseling richtte ze haar betraande gezicht naar mij op. 'Haar
kind, meneer, haar kind, dat zullen ze mij toch niet afnemen.
Meneer, dat zullen ze me ...'
Ik haastte mij haar te verzekeren dat ze haar het kind niet zouden
afnemen en sloop uit de keuken.
Voordat ik het huis verliet, sprak ik nog even met
de buurvrouw. Ik verzocht haar een oogje in het zeil te houden. De
buurvrouw beloofde mij de ouders bij te staan.
Toen ik met haar over Annie sprak zei ze: 'Och, Annie, het was wel
een hartelijke meid, maar volgens mij geen echte moeder. Zij had een
kind, een schat, maar ze keek er nooit naar om. Haar ouwelui moesten
maar voor het wurm zorgen. Zelf zat ze avond aan avond in de bar en
dan maar flikflooien met kerels. Je gunt natuurlijk niemand zo'n
einde, maar ik heb altijd wel gezegd dat het nog eens slecht met
haar zou aflopen.'
Ik nam afscheid van de buurvrouw.
De oudere getrouwde zuster, die mij een paar dagen
later opzocht met de vraag of er nog kleren van Annie uit de brand
waren gered, vertelde mij: 'Het is de schuld van mijn ouwelui. Ze
hebben haar altijd te veel verwend. Ze kreeg toch in alles haar zin.
Ze was ook nooit tevreden. Toen ik pas getrouwd was, kwam ze mij nog
weleens opzoeken. Maar ziet u, ze spotte altijd met mijn man omdat
hij, volgens haar dan, zo weinig verdiende. Maar ik kan er goed van
komen. Nou ja, het is niet veel, maar je hoeft toch niet alles luxe
te hebben? Annie droeg altijd de fijnste kleren. Als ze bij ons op
visite kwam, dan liet ze de kleren aan mijn man zien en dan zei ze:
"Raad eens wat ze gekost hebben?" Nou, u begrijpt, mijn man kreeg
daar altijd de pest over in. Hij kon van zijn weekloon voor mij niet
zulke dure kleren kopen. Toen ze weer eens kwam, heeft hij haar de
deur uitgezet. Na die tijd is ze nooit meer komen opdagen. Ze had
een nette jongen, hoor, een vriend van mijn man. Maar ze moest hem
niet. Ze zei dat ze geen armoedzaaier wilde. Maar, meneer, wat wilde
ze dan?'
Ik kon op die vraag geen antwoord geven, en met wat natte en
verfomfaaide kleren van Annie, die altijd zo goed gekleed ging,
verliet de zuster het bureau.
Ook sprak ik nog met een vriendin van Annie uit het
hotelletje. Ze zei: 'Annie was een lieve meid. We mochten haar
allemaal even graag. Ze was eigenlijk veel te zacht voor het leven
van ons soort meisjes. Ze was meer een poppetje om in een glazen
kastje te zetten, als u begrijpt wat ik bedoel. Ze had eigenlijk een
goeie rijke man moeten hebben. Maar ja, waar vind je die? Toch is
het wel erg, hè, wanneer je zo aan je end moet komen.' Ze klakte met
haar tong. 'En ze was nog wel zo hard aan het sparen voor haar
overtocht. Ja, ze zou naar Amerika om te trouwen met een jongen die
ze had leren kennen.'
'Was het kind dat ze had van die Amerikaan?'
De vriendin haalde haar schouders op. 'Ze zei het wel altijd, maar
hoe weet je dat zeker?'
Toen ze al begraven was, kwamen er nog brieven voor
haar uit Amerika. Ik heb ze voor de ouders vertaald. Het waren lieve
brieven van een jongeman, die erg naar haar verlangde en de dagen
telde die hen nog scheidden.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|