|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Een kerstverhaal
De oude man zag er bijzonder triest uit. Bijna net
zo triest als de hond die hij bij zich had: vaal met kale plekken en
afhangende oren. Het dier was ook net zo moe en afgetobd als zijn
oude baas. De twee trappen en de lange gang naar de recherchekamer
hadden zijn reserves aangetast. De tong hing laag uit de bek. Kwijl
drupte op de vloer.
Het was een teef; ze kwam zo ongeveer tot aan mijn knie en had grote
zwarte tepels aan een uitgezakte buik en een paar ogen, waarin een
wereld van melancholie lag weerspiegeld. Ze keek me wat droevig aan,
alsof ze ook van mij geen heil meer verwachtte, zakte daarna door de
poten en ging liggen aan de voeten van de oude man, die op de stoel
naast mijn bureau zachtjes nahijgde.
Ik wachtte geduldig tot zijn zagende ademhaling weer wat op peil
was.
'Als ik doodga...' zei hij na een poosje, 'als ik doodga, ben ik
vermoord.'
Ik wist niet precies hoe ik op deze mededeling zou reageren. Het
klonk wat vreemd, bijna laconiek. Ik keek de oude eens aan, in de
verwachting dat hij schertste. Maar zijn gerimpelde gelaat stond
volkomen ernstig.
'Als ik doodga, ben ik vermoord,' herhaalde hij op de zelfde toon.
'Ik kom het u maar even zeggen.'
'Ja, ja,' zei ik vaag knikkend, 'dat is goed.'
Dat was een absoluut dwaze opmerking van me. Natuurlijk was het niet
goed dat deze oude man, of wie ook, werd vermoord. Het was helemaal
niet goed. Ik had zo maar wat gezegd, ondoordacht. Het kwam geloof
ik doordat de hond mijn aandacht afleidde. De zachte, droefgeestige
uitdrukking van die lieve hondekop dwong me steeds naar het dier te
kijken. Bovendien was het me opgevallen dat de oude man en de hond
de zelfde ogen hadden: bruin, met vochtige, uitgezakte oogranden,
waarin een fijn netwerk van rode adertjes. De gelijkenis was zo
treffend dat het me een beetje verwarde.
'Nee, nee,' stamelde ik, 'ik... eh, ik bedoel... hoezo als u
doodgaat, bent u vermoord?'
Hij verschoof iets op zijn stoel en schonk me een wrange glimlach.
'Ze zijn er langzaam mee bezig.'
'Wie?' vroeg ik ontsteld.
Hij gebaarde wat loom in de ruimte. 'Allemaal... ze zijn er een paar
jaar geleden mee begonnen. Weet u, eigenlijk al vanaf het moment dat
mijn vrouw stierf. Van toen af aan leefde ik maar half.'
Ik keek hem niet-begrijpend aan. 'Half?'
Hij glimlachte droevig. 'Ik dacht wel dat u me niet zou begrijpen.
Maar troost u... u bent niet de enige.' Hij steunde met een hand op
mijn bureau en maakte aanstalten weer op te staan. 'Het is misschien
beter,' zei hij verongelijkt, 'dat we weer vertrekken.'
De hond kwam moeizaam overeind.
'Wacht nu eens even,' riep ik geërgerd, 'u moet niet zo weer
weggaan. Ik kan toch proberen u te begrijpen. Als u een beetje
geduld met me hebt, lukt het misschien wel.'
De oude man keek me een tijdje zonder iets te zeggen aan. Hij woog
me op de weegschaal van zijn mensenkennis. De hond was weer gaan
liggen.
'Toe maar,' moedigde ik aan.
'Och,' zei de oude, 'misschien heb je wel gelijk. Ik moest wat meer
geduld hebben. Ik ben weleens wat kort aangebonden. Maar God, dat is
toch geen zonde? Ziet u, mijn vrouw... mijn vrouw wist dat. Zij
kende me. Ik ben ook zesendertig jaar en zeven maanden met haar
getrouwd geweest. Ja, ja, dat is een tijd...
zes-en-dertig-jaar-en-zeven-maanden... dat is een hele tijd.'
Hij zweeg even en staarde langs me heen in een ver verleden. Er
bibberden een paar tranen over zijn oogranden en om zijn lippen
speelde een zoete glimlach.
'Je groeit naar elkaar toe, zo, door de jaren heen. Het is net alsof
je langzaam in elkaar overgaat. Het staat ook in de Heilige Schrift:
"En zij twee zullen tot één vlees zijn".' Hij grijnsde droevig. 'Als
je jong bent. .. als je jong bent lees je zo'n bijbeltekst totaal
verkeerd. Je denkt er van alles bij. Maar als je wat ouder wordt...
als het leven je een paar dreunen op je kanis heeft gegeven, dan
begrijp je het, dan weetje wat er wordt bedoeld.'
Ik knikte peinzend. 'Met z'n tweeën één zijn.'
Hij zuchtte diep. 'Met z'n tweeën één zijn,' herhaalde hij,
'precies, zo is het. Toen zij stierf, stierf ik voor de helft,
begrijpt u. Er bleef niet zo bar veel meer van mij over.'
Hij liet de onderlip wat zakken en schudde het hoofd. 'Nee, ik was
eigenlijk geen half mens meer. Het liefst was ik samen met haar
heengegaan. Maar dat heb je nu eenmaal niet in eigen hand.'
Hij zweeg weer even; zakte dromerig weg in herinneringen.
Intussen nam ik hem eens nauwkeurig op. Ik schatte hem op een eind
in de zestig. Hij moest vroeger wel een knappe man zijn geweest,
maar hij zag er nu slecht en onverzorgd uit. Het donkere pak dat hij
droeg zat vol morsige vlekken. Hij droeg geen sokken en zijn
schoenen waren kapot.
Plotseling begon hij weer te praten. 'In het begin kwamen de muren
op me af. Ik hield het niet meer uit thuis. Ik wilde ook mijn
getrouwde kinderen niet steeds lastig vallen. Ze hebben tenslotte
hun eigen besognes. Dus zwierf ik in de regel maar wat rond, op m'n
eentje, langs de grachten en zo. Nou... en toen ben ik haar
tegengekomen.'
'Wie?' vroeg ik verwonderd.
Hij wees naar de hond aan zijn voeten. 'Haar.'
Het dier richtte de kop op. Het begreep kennelijk dat er over haar
werd gesproken.
'Ja,' ging de oude verder, 'het was op eerste kerstdag, nu precies
vier jaar geleden. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren.
Ik was van plan naar het kerkhof te gaan, maar onderweg bedacht ik
me. Wat zou ik daar zien? Wat grassprietjes, verwelkte bloemen. Ik
bedoel... ik zou daar toch niet vinden wat ik zocht. Dus ging ik
niet, maar maakte een ommetje langs de grachten. Ineens was ze er.
Ze sprong pardoes tegen me op en keek me aan. Ik schrok er niet eens
van. Ik zag alleen die ogen, die lieve trouwe ogen. Het was. .. het
was net alsof ze mijn verdriet begreep, snapt u, zo keek ze; die kop
een beetje schuin... zo, en haar logge , poten tegen mijn vest.
Plotseling begon ik te grienen... over mijn vrouw natuurlijk. Ik was
al die tijd erg flink geweest. Dat zeiden ze allemaal. Ook mijn
kinderen zeiden dat. Maar toen op die gracht, bij die hond. kon ik
me niet meer inhouden. Ik stond daar gewoon midden op straat te
janken... als een kind. En die hond maar kijken.
Na een poosje liep ik door, het dier mee. . . naast me. Ik raakte
haar niet meer kwijt. Ik ben toen op een stoepetje gaan zitten. Ik
ging niet verder, zie je, ik wilde niet dat het dier zijn huis zou
kwijtraken. Op die stoep heb ik tegen haar gesproken. Ik zei: Toe
nou, meid, ga nou terug, wat moetje bij mij? Ga nou terug, ze
wachten thuis op je. En dacht u dat ze ging...'
Hij slikte iets weg. 'Je kan zo maar geen vreemde hond meenemen. Dat
weet ik best. Maar als er op dat moment iemand die hond nodig had,
meneer, dan was ik dat toch. Nietwaar? Ze kwam toch als geroepen,
net als het Kerstkindje. .. een geschenk van de hemel.'
Ik knikte vaag. 'U nam haar mee naar huis?'
'Ja, ze ging eigenlijk vanzelf mee. Het was direct een hele
afleiding. Ik maakte een bed voor haar van oude lappen, scharrelde
in de keuken om wat eten voor ons klaar te maken en kletste tegen
het dier. Je zult het geloven of niet, maar ze verstond me vanaf de
eerste dag. Ze wist precies wat ik bedoelde. Ik behoefde eigenlijk
alleen maar naar haar te kijken en ze wist het.'
Hij pauzeerde even en wreef met de rug van een hand langs zijn mond.
'Na een poosje begon ik weer wat voor het leven te voelen. Zie je,
ik had weer iemand. Ik was niet meer alleen.' Zijn gezicht
versomberde. 'Maar toen is in feite ook de ellende begonnen.'
'Ellende?'
'Ja, het kwam van de buren. De buurvrouw van drie hoog heeft een
getrouwde dochter. Die woont bij haar in. Buurvrouw begon te stoken.
En ze hield het vuurtje warm. Ze zei dat ik een vieze oude man was
met een nog viezere hond. Ze zei dat de hele trap naar die hond
begon te stinken. Ze zei ook dat het zonde was van die grote
woning... veel te groot voor een oude man alleen. Zie je, ze wil
mijn woning voor die dochter van haar. Dat is het.
Ze schreef aan allerlei instanties en ik kreeg heel wat mensen aan
de deur die kwamen kijken. Ambtenaren, ambtenaren van de
woningdienst, van het cbh, van Sociale Zaken, van de brandweer. Ze
vertelde iedereen dat ik te oud was, dat ik niet zo goed meer op me
zelf kon passen, dat ik een gevaar was voor me zelf en de hele
buurt.'
Hij lachte bitter. 'Ik... een gevaar voor de buurt.'
'En?'
'Nou, ik heb het lang kunnen tegenhouden, maar ze heeft het voor
elkaar, hoor. Ik moet eraf.'
'Wat?'
'Ja, ik heb nog een week.'
'En dan.'
'In een verzorgingshuis.'
Ik keek hem onderzoekend aan. 'En die hond?' vroeg ik, want ik
begreep dat het daar knelde.
De oude man boog het hoofd en begon te huilen. Erbarmelijk.
Het dier kwam overeind en legde de kop op zijn schonkige knie. De
bibberende hand van de oude tastte aarzelend vooruit en bleef op de
hondekop rusten.
Het beeld van die oude man met zijn hond was zo triest, zo zielig,
zo intens droevig, dat me een brok in de keel schoot.
'Dat... dat kan niet. Dat... dat mag niet,' stamelde ik vol
verontwaardiging. 'Dat kunnen ze niet doen. Ze kunnen die hond niet
zo maar van je afnemen.'
Het was dom wat ik zei, verre van verstandig. Maar ik sprak niet met
verstand. Ik reageerde vanuit mijn gevoel.
De oude man knikte traag. 'Toch wel,' zei hij, 'toch wel. Ze moet
naar het asiel, hebben-ze-gezegd. Het is beter voor het dier,
hebben-ze-gezegd. Ze is oud en d'r nieren zijn aangedaan.'
Hij schudde zuchtend het hoofd. 'D'r nieren... we gaan er allebei
kapot aan.' Hij zuchtte opnieuw. 'Zie je, dat van mijn vrouw heb ik
kunnen overleven door haar. Het dier heeft me erdoor gesleept.' Zijn
hand streelde de hondekop.
'Maar als ze nu ook haar van me wegnemen, meneer... Zeg... meneer...
wat moet ik dan nog?'
Ik wist het niet.
Toen ik de zaak nuchter en verstandig overdacht, begreep ik dat het
besluit om de oude man in een verzorgingshuis op te nemen, na ampele
overwegingen moest zijn genomen. Het tekort aan verpleeginrichtingen
voor bejaarden - zo wist ik - was ontstellend groot, zodat alleen de
ernstigste gevallen in aanmerking kwamen. In zo'n inrichting was
natuurlijk geen plaats voor een oude zieke hond.
Ik probeerde in deze geest tegen de oude man te praten
-verstandelijk - maar het lukte niet. Het 'verstandelijke' kwam er
niet uit. Ik miste de innerlijke overtuiging. Het had geen
bezieling. Het vonkte niet over. Ik besefte dat ze allemaal op de
zelfde manier tegen hem hadden gesproken -verstandelijk.
Nadat de oude man met zijn hond was vertrokken, had ik een leeg
gevoel van binnen.
Op tweede kerstdag kreeg de buurvrouw gelijk. De
oude man bleek een gevaar voor de buurt. Hij had de kraan van het
gas niet goed gesloten. Het stroomde vrijelijk uit het keukentje.
Men belde de politie.
Nadat men de deur had opengebroken, vond men hem in een hoek van de
kamer. Hij lag languit naast zijn hond op een berg vodden, samen op
weg naar een verzorgingshuis, waar ook voor honden plaats is.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|