|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
De arme zakkenroller
Ze kwam groot, breed, de recherchekamer
binnenstuiven, tranen in de ogen, twee kinderen in haar kielzog. 'Ik
ben bestolen.'
Ze liet zich zakken op de eerste de beste stoel die binnen haar
bereik was en hijgde rondborstig na. De beide kinderen schaarden
zich aan haar zijde: zwijgende paladijnen met witvertrokken
gezichtjes. 'Ze hebben mijn portemonnee gerold.'
'Waar?'
Ze gebaarde met het hoofd. 'In het warenhuis.'
Ze hield haar boodschappentas omhoog: een soort omgekeerde biezen
zomerhoed met hengsels en een bloemmotief. 'Hier zat hij in.'
Ik knikte begrijpend. 'Een aantrekkelijke tas voor zakkenrollers,'
zei ik. 'Ze kunnen er van alle kanten bij.'
Ze schudde triest het hoofd. 'Ik let altijd zó goed op. Ik kijk wel
honderd keer of ik hem nog heb. Het is mij nog nooit gebeurd. Voor
ik wegging heeft mijn man me nog gewaarschuwd. Pas op je
portemonnee, zei hij.' Ze trok een droeve grimas. 'Als ik straks
thuiskom, zal hij wel tegen me tekeergaan.'
'Zat er veel in?'
Ze knikte met overtuiging. 'Haast tweehonderd vijftig gulden.'
'Toe maar.'
Ze glimlachte vreugdeloos. 'Mijn huishoudgeld voor twee weken. Als
ik die vent te grazen krijg...'
'U hebt iemand gezien?'
Ze gebaarde wat vaag voor zich uit. 'Een blonde vent van een jaar of
dertig, vijfendertig. Hij scharrelde wat raar achter ons aan.
'Heeft u gezien dat hij met zijn handen in uw tas zat?'
Ze grijnsde breed. 'Nee... Dan-was-ik-hem-u-wel-even-komen-brengen.'
In haar stem klonk zoveel venijn, dat ik ervan schrok.
Ik keek naar haar handen, die op haar schoot de tas omklemden. De
vingers waren kort, dik, gespierd, de polsen onvrouwelijk zwaar.
'U kunt dus niet met stelligheid zeggen dat die blonde man de dader
is?'
'Nee,' zei ze met een zucht, 'dat kan ik niet. Maar ik... voor
mij... ik geloof dat die vent mijn portemonnee heeft.'
Ik trok mijn schrijfmachine naar me toe. 'Hoe is uw naam?'
Dirksen... Jansje Dirksen.'
Het was in een korte tijd mijn twaalfde of dertiende
aangifte van zakkenrollerij. Het was om dol van te worden. En de
stroom hield niet op. Elke zaterdagmiddag was het raak. Dan kwamen
huilende vrouwen vertellen dat ze hun portemonnee kwijt waren. In
vrijwel alle gevallen wisten ze niet hoe het was gekomen. Plotseling
stond hun tasje open en was hun portemonnee weg. Van de dader...
geen spoor.
De zakkenrollerij vormt voor de recherche een groot probleem. Een
zakkenroller is een gewiekst man met een snel inzicht in de
gedragingen van zijn aanstaand slachtoffer. Hij kiest het zorgvuldig
uit, observeert het voor hij toeslaat.
Zijn bestaan is gebaseerd op de vingervlugheid van hem zelf en de
onoplettendheid van zijn medemensen. Het bewijs tegen hem is
moeilijk te leveren. De enige mogelijkheid om een zakkenroller te
vatten, is hem op heterdaad te betrappen. En dat is geen eenvoudige
zaak. Zelf waakzaam, onderkent hij onmiddellijk de waakzaamheid van
anderen. En voor rechercheurs... Voor rechercheurs heeft hij een
bepaald instinct. Hij ruikt hen... hij ruikt hen al op afstand.
Op een sombere zaterdagmiddag werd Gerrit-Jan de
Vries het oude politiebureau aan de Warmoesstraat binnengebracht.
Twee stevige dienders hielden hem in toom.
Voor de balie ontstond onmiddellijk een hevig tumult. Gerrit-Jan
getuigde gloedvol van zijn onschuld en had ter ondersteuning van
zijn betoog de armen nodig, waaraan de agenten hem vasthielden. Het
werd een wilde vertoning. Op een wenk van de brigadier lieten de
agenten hem los. Gerrit-Jan kwam nu eerst goed op dreef. Hij
onderstreepte zijn woordenvloed met brede armgebaren, hij betoogde
steeds opnieuw hoe onschuldig hij wel was en hoe stom de agenten
hadden gehandeld om hem - de onnozele - naar de Warmoesstraat te
slepen.
Toen de brigadier niet geïmponeerd bleek, stelde hij zuchtend vast
dat elke gerechtelijke dwaling nu eenmaal op een politiebureau
begon.
Wat achteraf, bij de muur, stond een fragiel oud vrouwtje. Ze keek
van over haar metalen brilletje wat onthutst naar het toneel dat
Gerrit-Jan voor de balie opvoerde.
'Ik heb het toch echt gezien, hoor,' prevelde ze voor zich uit. 'Ik
heb het toch echt gezien.'
Toen de wachtcommandant alles in zijn boek had geschreven, kreeg ik
de zaak in behandeling.
Het bleek dat het oude vrouwtje in het warenhuis alarm had geslagen.
Er waren mensen toe gelopen en op haar aanwijzing was Gerrit-Jan de
Vries gepakt.
Ze keek me trouwhartig aan. 'Ik heb het echt gezien, hoor. Gelooft u
me. Ik heb het echt gezien.'
'Wat?' vroeg ik.
'Hij zat met zijn hand in mijn tasje.'
'Stond uw tasje open?'
Ze verschoof iets op haar stoel. 'Ja, kijk, ziet u... ik keek even
naar een jumpertje voor mijn kleindochter. Ze is overmorgen jarig.
En nu hebben ze daar van die leuke...'
'Ja, ja,' onderbrak ik haar, 'wat gebeurde er?'
'Nou, ik stond bij dat rek en plotseling voelde ik iets aan mijn
arm. Ik dacht: Wat moet dat? Ik draaide me direct om en toen zag ik
die man met zijn hand in mijn tas.'
'En toen?'
'Toen ben ik hard gaan roepen. Houd de dief! riep ik. Ziet u, ik
dacht dat hij mijn beursje had.'
'En dat was niet zo?'
Ze schudde het hoofd. 'Het zat er nog in.'
Ze knipte haar handtas open en nam daaruit een ouderwets
kralenbeursje met een fraai bewerkte zilveren beugel. Ze glimlachte
vertederd. 'Is nog een erfstuk van mijn ouwe grootje.'
'Hij heeft dus niets gestolen.' stelde ik vast.
De uitdrukking op haar gezicht veranderde op slag. Ze schoof het
metalen brilletje wat hoger op de neus en kneep de dunne lippen op
elkaar. 'Hij zat met zijn hand in mijn tas.' riep ze fel. 'Ik heb
het echt gezien.'
Ik knikte haar toe. 'Ga maar fijn naar huis,' zei ik zoet,
vriendelijk. 'Ik zal de zaak wel onderzoeken.'
Ze keek me wat wantrouwend aan en schuifelde toen de kamer uit.
Halverwege draaide ze zich om.
'Je laat je door die vent niks wijsmaken. Hij vertelt smoesjes, hoor
je, smoesjes. Ik heb het echt gezien.'
Mopperend liep ze de deur uit.
Ik had de waarschuwing van het oude vrouwtje niet nodig. Ik kende De
Vries. Gerrit-Jan was een erkend zakkenroller. Ik had meer met hem
te doen gehad en wist dat ik het niet gemakkelijk zou krijgen.
Ik liet hem naar het verhoorkamertje brengen. Hij trok onmiddellijk
tegen me van leer.
'Waarvoor zit ik hier?' schreeuwde hij. 'Dit is pure
vrijheidsberoving. Jullie hebben geen recht me vast te houden. Ik
heb niets gedaan.'
'Je hebt geprobeerd het oude vrouwtje haar beursje te stelen,' zei
ik kalm.
Hij grijnsde. 'Ik weet hoe jullie denken... Eenmaal gestolen, altijd
een dief. Zo is het toch?'
Ik haalde mijn schouders op. 'Je zat met je hand in haar tasje.'
Hij ging staan, gebaarde wild, emotioneel. 'Ze heeft aderverkalking.
Dat oude mens is in de war. Ik zag haar tasje openstaan en toen...'
'En toen dacht je, laat ik haar beursje wegnemen, vóór een ander het
doet.'
Hij schudde heftig het hoofd. 'Nee... nee. Ik wilde het oude mens
alleen maar waarschuwen. Maar ze begon als een varken te schreeuwen.
Ik ben toen maar weggelopen.'
'Waarom?'
'Ik dacht... ik dacht, straks zeggen ze nog dat ik haar beursje
wilde stelen.' Hij ging weer tegenover me zitten. 'Ik bezweer het u.
rechercheur,' zei hij vettig. 'Ik was niet van plan iets te gappen.
Ik wilde het oude mens alleen waarschuwen dat haar tasje openstond.
Meer niet. Geloof me nu eens een keer. Een mens kan zijn leven toch
beteren, is het niet?'
Ik boog het hoofd, krabde achter in mijn nek. Ik kon wel ophouden.
Als hij in de zelfde formule doorging, zou hij op het laatst in zijn
eigen onschuld gaan geloven. Ik wist hoe Gerrit-Jan was. Bekennen
zou hij nooit. En met het oude vrouwtje als enige getuige van wat
hoogstens een 'poging' tot zakkenrollerij zou opleveren, maakte ik
weinig kans hem voor de rechter te brengen.
Innerlijk was ik ervan overtuigd dat hij verantwoordelijk was voor
al de zakkenrollerijen van de laatste weken. Ik bepeinsde wat ik nog
kon doen.
Plotseling dacht ik aan mevrouw Dirksen... Jansje Dirksen. Als zij
Gerrit-Jan zou kunnen herkennen als de man die steeds achter haar
aan had gelopen voor ze bemerkte dat haar portemonnee was gestolen,
dan kon dit - hoewel op zich geen bewijs - mijn zaak tegen de
halsstarrige zakkenroller steunen.
Ik verzocht haar naar de Warmoesstraat te komen en arrangeerde een
confrontatie. Ik plaatste Gerrit-Jan in een rij te midden van een
achttal mannen van ongeveer de zelfde lengte en het zelfde postuur.
Van een afstandje liet ik haar naar de mannen kijken.
'Nou?' vroeg ik na een poosje.
'Het is de derde van links.' fluisterde ze.
Ik glimlachte. Het was inderdaad de derde van links. Maar dat zei ik
haar niet. 'U weet het zeker?' vroeg ik.
Ze knikte met een strak gezicht.
'Mooi,' zei ik, 'dan kunt u nu weer gaan. Hartelijk dank voor uw
komst.'
Ze aarzelde, staarde voor zich uit. 'Mag ik...' vroeg ze weifelend,
'mag ik hem ook nog even van dichtbij zien?'
'Maar natuurlijk,' zei ik nietsvermoedend.
Langzaam, in een wat slepende tred, liep ze op de mannen toe. Ik
slenterde achter haar aan. Bij Gerrit-Jan bleef ze staan en keek hem
in het gezicht.
Hun blikken kruisten.
Plots, in een vloeiende, flitsende beweging, stootte ze de
rechtervuist naar voren. Het gebeurde zo snel, zo deskundig, dat ik
noch een van de andere rechercheurs in de kamer tijd had om te
reageren.
Haar vuistslag trof Gerrit-Jan vol op de kaak. Het gaf een zacht,
dof geluid. Een moment staarde de zakkenroller wezenloos in het
niets. Toen begon zijn lichaam langzaam te zwaaien en zakte met een
plof op de vloer... Groggy, volkomen groggy.
In de algemene verwarring ontkwam Jansje Dirksen. Ik heb haar nooit
meer gezien.
En Gerrit-Jan?
Nadat hij was bijgekomen bekende hij braaf de zevenentwintig
gevallen van zakkenrollerij, die hij de laatste drie maanden had
gepleegd.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|