|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 7 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1996 |
|
Een delicate zaak
Er werd geklopt. Ik riep 'binnen'. De deur van de
recherchekamer ging open en in de deuropening verscheen een
eenvoudig geklede vrouw. Ik schatte haar op rond de veertig. Een
slank type. Ze had een smal, bleek gezicht, dunne lippen en een iets
te volle kin. Toen ze mij in het oog kreeg, stapte ze dreunend op
mij toe.
'U bent van de recherche?'
Ik knikte bescheiden.
'Mooi,' riep ze ferm, 'dan heb ik werk voor u.'
Het was een mededeling die mij niet blij maakte.
Ze draaide zich half om en riep 'Nanette!'
Van de gang kwam een jonge vrouw, een meisje nog. Zestien, zeventien
jaar schatte ik haar. Niet ouder. Ze droeg een paar bruine laarsjes,
een leren minirok en een strak beige truitje, waarin haar prille
boezem pronkte. Ze was mooi, vond ik, uitzonderlijk mooi. Zo mooi,
dat mijn blik wat langer op haar bleef rusten.
De oudere vrouw riep mij tot de orde.
'Dat is mijn dochter,' sprak ze bits.
'Een mooie meid,' riep ik bewonderend.
Ze negeerde mijn opmerking, pakte twee stoelen en zette die naast
mijn bureau.
'Ga zitten,' gebood ze haar dochter.
Het meisje nam schuchter plaats en keek schichtig in mijn richting.
'Het gaat om haar,' legde de moeder uit. 'Ik ben maar even
meegekomen. Het is een delicate zaak. Feitelijk is dit een affaire
voor een vader om te behandelen, maar ze heeft geen vader meer. Mijn
man is drie jaar geleden gestorven. Ik ben weduwe.'
Ze knikte voor zich uit en zuchtte.
'Dan sta je er alleen voor.'
Ze knipte haar handtasje open, nam daaruit een enveloppe en legde
die voor mij neer.
'Moet u eens lezen, rechercheur... moet u nu eens lezen.'
Haar stem trilde van verontwaardiging.
'Dat durven ze zo'n kind te schrijven. De viespeuken.'
Ik pakte de enveloppe op. Ze geurde zacht naar parfum.
Aan Nanette, stond er. Verder niets. Geen aanduiding van een
adres, geen afzender. De bovenkant was gerafeld, slordig, gehaast
opengescheurd.
Ik nam de brief uit de enveloppe, vouwde hem open en begon rustig te
lezen.
Lieve Nanette, stond er in een vette typeletter.
Ik droom elke nacht van je. Elke nacht opnieuw. Mensen zeggen, dat
dromen bedrog zijn. Laat ik mijzelf dan bedriegen. In mijn dromen
ben je heel echt. Ik kan je dan voelen, betasten, elke plek van je
huid...
Ik had de brief tot zover hardop gelezen, maar de tekst werd zo
onthullend, behandelde zo uitvoerig het droombeeld van de
briefschrijver, dat ik zacht, binnensmonds, verderging.
De brief was een lange, gloedvolle liefdesbetuiging aan Nanette. Een
ontboezeming van een seksueel verlangen, compleet met uitgewerkte
technieken. Het was een schunnige brief, zonder meer. Toch school er
in de tekst veel tederheid, was ze niet zo rauw, zo vulgair als
gewoonlijk in dergelijke anonieme liefdesbrieven. Ik had ze wel
anders onder ogen gehad. Ik kon mij echter heel goed voorstellen dat
de moeder diep was geschokt.
Ik bekeek het papier. Er was niets bijzonders aan te zien. Het was
een gewoon velletje schrijfmachinepapier, een A-viertje zonder
watermerk. Ik vouwde het langzaam dicht en deed de brief in de
enveloppe.
De moeder keek mij aan. Haar gezicht zag rood.
'Nou?'
'Een vieze brief,' stelde ik kalm.
Ze knikte heftig.
'Precies, dat is het. En ik wil weten wie mijn dochter zulke vieze
brieven durft te schrijven. Zo'n vent moet worden gestraft.'
Ik reageerde niet. Ik keek naar Nanette. Ze zat voorovergebogen op
haar stoel. Haar lange blonde haren hingen als een gordijn voor haar
gezicht.
'Hoe kom je aan die brief?' opende ik.
Ze bracht haar hoofd omhoog. Het gordijn viel uiteen.
'Gekregen,' antwoordde ze nors.
'Waar?'
'Op mijn werk.'
'Van wie?'
Nanette trok haar schouders op.
'Toen ik van toilet kwam, lag hij op mijn stoel.'
'Waar werk je?'
'Op een puddingfabriek.'
'Werken daar veel mannen?'
'Acht, denk ik... tien, als je de expeditie meetelt.'
'Heb je voor jezelf een idee wie je die brief kan hebben
geschreven?'
Nanette schudde langzaam haar hoofd.
'Ik zou het niet weten. Ik heb nooit iemand aangemoedigd... als u
dat bedoelt?'
Ik knikte traag.
'Dat bedoel ik.'
De volgende dag toog ik naar de puddingfabriek van
Nanette en sprak daar met de directeur, een vriendelijke, wat
vermoeide vijftiger, die mij na enig aandringen toestond om met
enkele leden van zijn personeel een praatje te maken. Ik zei hem
niet precies waarom het ging... hield mij wat op de vlakte.
Beroepshalve kon ik de directeur echter niet geheel uitsluiten. Ik
had zijn medewerking nodig.
'Maak het niet te lang,' sprak hij vermanend. 'En als het even
kan... geen arrestaties. Ik zit toch al zo krap in mijn personeel.'
Ik beloofde met zijn wensen rekening te houden.
Mijn korte verhoren leverden niets op. De
puddingfabriek was een van die typisch Amsterdamse kleinbedrijven.
Er heerste een goede sfeer. De onderlinge verhoudingen waren
uitstekend... gemoedelijk, amicaal. Er was tussen het personeel wel
eens iets dat op een heimelijke liefdesaffaire leek. Maar het
'heimelijke' hield nooit lang stand. Vage toespelingen en
opmerkingen brachten het spoedig in de openbaarheid. Men had de ogen
niet in de zak. Er werden in verband met die affaires wel namen
genoemd. Maar niet die van Nanette.
Na de gesprekjes met het personeel liet ik mij door de directeur van
de fabriek rondleiden. Tenslotte bedankte ik hem voor zijn
medewerking en ging terug naar de Warmoesstraat.
's Avonds liet ik Nanette naar de Warmoesstraat
komen. Ze was er precies op tijd, acht uur. Alleen. Op mijn verzoek
was moeder niet meegekomen.
Ik keek het meisje een tijdje zwijgend aan. Opnieuw onderging ik de
bekoring die ze uitstraalde. Ik begreep plotseling iets van de
briefschrijver en vroeg mij af of ikzelf in staat zou zijn om het
meisje een dergelijke brief te schrijven. Na een eerlijke
overweging, dacht ik van niet.
Ik boog mij iets naar haar toe.
'Je hebt mij verteld,' begon ik, 'datje die vieze brief op de
fabriek hebt gekregen.'
'Ja.'
'Ik was vanmorgen in de fabriek.'
Nanette knikte.
'Ik heb u gezien.'
Ik schonk haar een glimlach.
'Vriendelijke mensen, die collega's van je. Ik vond ze eerlijk en
openhartig.' Ik pauzeerde lange seconden voor het effect; keek haar
scherp aan. 'Nanette,' sprak ik zacht, 'waarom lieg je?'
Haar ogen flikkerden.
'Ik lieg niet.'
Ik knikte langzaam, nadrukkelijk.
'Je hebt die brief niet op je werk gekregen. De puddingfabriek heeft
met die brief niets te maken.'
Nanette liet haar hoofd zakken.
'Ik heb,' ging ik verder, 'tijdens de rondleiding door de directeur
de plek in de fabriek waar jij werkt goed bekeken. Als iemand daar
tijdens jouw afwezigheid een brief had neergelegd, dan hadden
anderen dat moeten zien. Het werd niet gezien.'
Ik drukte met mijn wijsvinger haar kin omhoog, pakte de brief uit de
lade van mijn bureau en wuifde ermee.
'Je hebt die brief al een heel poosje in je bezit. De hoekjes van de
enveloppe zijn omgebogen en het papier heeft de geur van jouw parfum
aangenomen.'
Ik keek haar strak aan.
'Nanette... ik zal je zeggen waarom je liegt... je liegt omdat je
precies weet van wie die brief afkomstig is.'
Ze staarde voor zich uit. Haar onderlip trilde.
Ik boog mij naar haar toe.
'Nanette... van wie is die brief?'
Ze begon te huilen. Tranen drupten over haar wangen.
'Van wie is die brief,' drong ik feller aan.
'Van oom Paul.'
'Oom Paul?' vroeg ik niet-begrijpend.
Nanette knikte.
'Hij schrijft mij steeds brieven.'
'Wie is oom Paul?'
Nanette sloeg haar beide handen voor haar gezicht.
'Het is mijn schuld... het is alles mijn schuld. Ik had hem beter
moeten opbergen. Ze had die brief nooit mogen vinden.' Ze nam haar
handen voor haar gezicht weg, keek mij aan, smekend, vertwijfeld.
'Toe meneer, laat het zo blijven, laat het in godsnaam zo blijven.
Ze heeft het niet verdiend.'
'Wie... eh, wie heeft niet wat verdiend?'
'Mijn moeder... het arme mens. Jarenlang heeft ze mijn zieke vader
verpleegd. Eigenlijk al zo lang als ik mij kan herinneren. Ook na
zijn dood heeft ze steeds hard gewerkt. Voor mij... voor anderen.
Nooit voor zichzelf.'
Ik keek haar onderzoekend aan.
'Wat heeft dat met die briefte maken?' vroeg ik kalm.
Nanette antwoordde niet direct. Ze pakte een zakdoekje uit haar
handtas en droogde haar tranen.
'Moeder,' sprak ze zacht, 'heeft ongeveer een jaar geleden een man
leren kennen.'
Ik fronste mijn wenkbrauwen.
'Oom Paul?'
'Zo noemde ik hem. Het is geen oom van mij... geen echte. Ik wist
alleen niet hoe ik zo'n man, die met mijn moeder omging, moest
noemen.'
'Oom Paul.'
Nanette knikte.
'In het begin vond ik hem wel aardig. Hij was vriendelijk en heel
attent. Op een dag gaf hij mij een brief, stiekem, zodat mijn moeder
het niet zag.'
'Een vieze brief?'
Nanette gebaarde traag voor zich uit.
'Een brief met dingen, die hij van mij wilde. En na die brief
volgden er meer. Hij werd ook steeds aanhaliger, opdringerig. Van de
week wilde hij mij zoenen. Toen ik van hem wegliep, zei hij:
Wacht maar meisje, als ik eerst voor voorgoed bij jullie inwoon.'
Ik keek haar verbijsterd aan.
'Waarom heb je dat niet tegen je moeder gezegd?'
Nanette begon weer te huilen.
'Moeder... ze houdt van hem. Ze is zo gelukkig met hem. Dat heeft ze
zelf tegen mij gezegd. Eind volgende maand gaan ze trouwen. En ik
gun het haar... echt, ik gun het haar. Het komt haar toe... een
beetje geluk.' Ze keek met een betraand gezicht naar mij op. 'Mag ik
haar dat afnemen?'
Ik wreef met mijn hand langs mijn gezicht en bepeinsde zorgelijk wat
ik zou doen. Na een poosje stond ik op, liep naar de kapstok en trok
mijn jas aan.
'Kom Nanette,' zei ik zacht, 'we gaan het haar samen vertellen.'
Toen ik die avond vrij laat aan het bureau
Warmoesstraat terugkwam, belde ik oom Paul. Ondanks het late uur
verzocht ik hem onmiddellijk te komen. Oom Paul bleek een charmante
man van voor in de vijftig, die in een ver verleden al eens een
zedendelict met een jong meisje op zijn naam had.
Na een korte inleiding maakte ik oom Paul duidelijk, dat de moeder
van Nanette van een verdere voortzetting van haar relatie met hem
afzag en confronteerde hem met de brieven.
Na een reeks duidelijke afspraken stookte ik in zijn bijzijn in de
gootsteenbak van onze kleine bureaukeuken van de brieven een
vuurtje. Oom Paul toonde zich heel gedwee. Samen keken we hoe zijn
vurige epistels in rook opgingen.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|