|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Ongeval of ....?
De commissaris smeet het stuk op mijn bureau: een
grijs-groene map met een serie indrukwekkende stempels en 'Pro-Justitia'
linksboven in de hoek.
'Mr. Van Overwheere, onze officier, is er niet tevreden mee. Hij wil
dat je de oude mevrouw Matthijsen verhoort als verdachte.'
Ik keek hem verbaasd aan.
'Als verdachte?'
'Ja, inzake dood door schuld.'
Een moment was ik verbijsterd. Toen steeg het bloed naar mijn hoofd.
'Ik voel er geen barst voor,' riep ik fel, emotioneel. 'Het was een
ongeluk.'
De commissaris haalde zijn schouders op.
'Het is jouw zaak,' zei hij simpel.
Toen liep hij weg.
De commissaris had gelijk. Het was mijn zaak. Ik kende de oude
mevrouw Matthijsen vrij goed. Ik kende ook haar dochter Karin, een
knappe jonge vrouw van achter in de twintig, receptioniste in een
groot hotel.
Ik kwam voor het eerst met de familie in aanraking door de zelfmoord
van de heer Matthijsen, vijfjaar geleden. Op een morgen sloot hij
zich in zijn kamer op en joeg zich een kogel door het hoofd. Hoewel
hij geen afscheidsbrief had achtergelaten, bleek spoedig dat hij
door een reeks financiële manipulaties de maatschappij waarvan hij
directeur was, aan de rand van een faillissement had gebracht. Het
was een trieste zaak.
De heer Matthijsen was een joviale, goed geconserveerde vijftiger,
met een warme blik en charmant grijs aan de slapen. Karin adoreerde
hem. Tussen vader en dochter had steeds een innige band bestaan.
Wanneer men Karin vroeg, waarom ze geen man zocht en trouwde,
antwoordde ze lachend: 'Zolang ik vader heb, heb ik geen man nodig.'
Er school in die scherts vermoedelijk meer waarheid dan iemand voor
mogelijk had gehouden.
Toen de heer Matthijsen de hand aan zich zelf sloeg, was Karin
radeloos, ontroostbaar. In heftige woede-uitbarstingen verweet ze
haar moeder dat ze nooit enig geestelijk contact met vader had
gehad, dat ze nooit enig werkelijk begrip had getoond voor de
moeilijkheden waarmee hij worstelde. Kortom, de schuld van vaders
zelfmoord lag bij haar.
Een dag na de begrafenis zocht mevrouw Matthijsen mij in de
Warmoesstraat op. Ze vertelde onder tranen dat Karin haar spulletjes
had gepakt en ervandoor was. Ze vertelde ook dat de verwijten van
haar dochter ongegrond waren. Ze had altijd geprobeerd een 'totale'
vrouw voor haar man te zijn. In het begin van hun huwelijk was ze
dat ook. Later was ze gestuit op de onwil van haar man om haar
deelgenoot van zijn zorgen te maken. Toen Karin ouder werd, sloot
hij zich steeds meer van haar af, verslapte de greep die ze op hem
had. Maar als moeder had ze zich verheugd dat de band tussen vader
en dochter zo goed was.
Op haar verzoek zocht ik de verblijfplaats van Karin en probeerde
haar te bewegen naar huis terug te komen. Ze weigerde botweg.
'Naar dat mens... nooit meer.'
Er gingen een paar jaar voorbij waarin ik niets van de familie
Matthijsen vernam.
Op een dag kreeg ik de opdracht de oorzaak te onderzoeken van een
ongeval, waarbij een kleuter van anderhalf jaar om het leven was
gekomen. Het jochie zou van een steile trap zijn gevallen.
Toen ik het adres van de gracht opkreeg, kwam het mij bekend voor.
Meer niet. Ik reed er met een collega heen en parkeerde aan de
waterkant. Er stond al een ambulancewagen en een wagentje van de zes
maal twee. Een broeder van de Geneeskundige Dienst nam mij mee naar
het achterhuis. Onder aan een trap lag een blond kindje. Er was zo
oppervlakkig niets aan te zien. Het leek alsof het sliep, maar toen
ik mij vooroverboog, zag ik bloed bij de oortjes, en ik wist wat dat
betekende.
'Er is niets meer aan te doen,' fluisterde de broeder.
Toen ik overeind kwam, zag ik haar... mevrouw Matthijsen. Ze stond
aan het einde van de gang. Een potige agent hield haar bij de arm.
Ze zag er vreemd, verwilderd uit, met grote holle ogen.
'Ik kon er niets aan doen.' Ze schreeuwde. 'Ik kon er niets aan
doen. Zeg Karin, dat ik er niets aan doen kon.'
Ik bracht haar naar de zitkamer.
Midden in het tumult kwam Karin thuis. Blijkbaar had iemand haar
gewaarschuwd. Ze was kalm, vreemd rustig. Ze liet zich door mijn
collega voorlichten, keek even naar het kindje en kwam toen bij ons
in de zitkamer. Het was alsof het haar niet aanging, alsof dat dode
kind onder aan de trap niet haar kind was.
De oude mevrouw Matthijsen viel voor haar op de knieën. 'Karin, ik
kon er niets aan doen,' huilde ze. 'Karin, geloof me, ik kon er
niets aan doen.'
Ik kreeg een diep medelijden met het oude mens en er schoot een brok
in mijn keel. 'Kom, mevrouw,' zei ik zacht, 'ga weer zitten.
Natuurlijk kon u er niets aan doen. Ik weet dat. Karin weet dat.
Nietwaar, Karin... moeder kon er niets aan doen?'
Karin zei niets. Ze keek strak voor zich uit.
Uit mijn onderzoek bleek dat Karin enkele maanden na het overlijden
van haar vader was getrouwd met een musicus van een groot orkest. De
man was ruim achttien jaar ouder dan zij. Het huwelijk was vrijwel
van het begin af een mislukking. Zelfs de komst van kleine Marco kon
het niet redden.
Binnen nog geen jaar spatte het uiteen en Karin trok - na een grote
verzoening - met de kleine bij moeder in.
Toen Marco ongeveer een jaar oud was, besloot Karin weer te gaan
werken. En mevrouw Matthijsen moedigde het aan. Zij zou wel op de
kleine passen. Maar Marco was een wild kind. Hij was al eens eerder
van de trap gerold. De gevolgen waren toen niet ernstig, maar uit
veiligheidsoverwegingen kwam er een hekje voor. De oude mevrouw
Matthijsen bezwoer me dat ze het hekje altijd gesloten hield en ik
had geen reden om aan haar woorden te twijfelen.
De enige verklaring die ik voor het ongeval kon vinden, was dat de
kleine over het hekje was geklommen.
Ik maakte een uitgebreid proces-verbaal, waarin ik stelde dat mij
bij het onderzoek niets van misdrijf was gebleken en dat de dood van
de kleine Marco het gevolg was van een ongeval, zoals er jaarlijks
tientallen gebeuren.
Het was al tien dagen na de begrafenis van Marco, toen ik de stukken
van Mr. Van Overwheere terugkreeg met het verzoek mevrouw Matthijsen
alsnog te verhoren ter zake dood door schuld.
Ik vloekte alle duivels uit de hel. Wat wilde de officier? De oude
vrouw gerechtelijk vervolgen? Was zij door het feit dat zij haar
enige kleinkind op zo'n noodlottige wijze had verloren niet al zwaar
genoeg gestraft? Bovendien, het was geen misdrijf... en er was
helemaal geen sprake van schuld.
Ik ontbood Karin op het bureau en sprak met haar over het verzoek
van de officier.
'Dat kunt u niet doen,' zei ze. 'Moeder is er slecht aan toe. Ik doe
mijn uiterste best haar het ongeluk te doen vergeten. En als u het
nu weer oprakelt...' Ze maakte haar zin niet af. 'Praat u eens met
Dr. Van Everdingen, onze huisarts.'
Dat deed ik. Ik zette de dokter de zaak uiteen en hij gaf mij een
verklaring, waarin hij schreef dat hij gezien de lichamelijke en
geestelijke toestand van mevrouw Matthijsen, het niet toelaatbaar
achtte dat zij door de recherche werd verhoord. Ik speelde die
verklaring in handen van de officier.
Dit gebeurde drie jaar geleden en al die tijd voelde ik mij een
beetje trots dat ik de zaak in samenwerking met de dokter zo
'menselijk' had opgelost.
Vorige week voerde een onderzoek mij naar een groot hotel in de
binnenstad. In de hal ontmoette ik Karin. Ze schudde mij hartelijk
de hand. 'Hebt u even tijd voor een kop koffie?'
We gingen in de lounge zitten. "Hoe is het met moeder?' vroeg ik.
'Moeder is dood,' antwoordde ze zacht.
'Dat spijt me oprecht,' zei ik meelevend. 'Ik vond haar zo'n lief
mens.'
Ze roerde zwijgend in haar koffie. 'Zo lief was ze niet.' Het klonk
ineens fel, bitter. 'Weet u dat ze mijn kleine Marco heeft vermoord?
Het was geen ongeval. Ze heeft hem gewoon van de trap gestoten. Op
haar sterfbed heeft ze het mij bekend.'
Ik keek haar geschokt aan. 'Vermoord?'
Ze knikte. 'Uit haat, wraak.'
Ik greep naar mijn hals en slikte. 'Wraak? Wat had het kind haar
misdaan?'
Langs haar lippen gleed een wrange glimlach. 'Niet het kind... ik.'
Ze zuchtte diep. 'Moeder was de laatste ogenblikken voor haar dood
bijzonder helder. Jij hebt mij mijn man ontnomen, zei ze. Hij was
het liefste dat ik had.'
Ik tastte verbijsterd naar mijn hoofd. 'Daarom . . .?'
Karin knikte nauwelijks merkbaar. Haar hand, die naar haar koffie
reikte, trilde.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|