Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 27

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 1
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Ongeval of ....?

 

De commissaris smeet het stuk op mijn bureau: een grijs-groene map met een serie indrukwekkende stempels en 'Pro-Justitia' linksboven in de hoek. 
'Mr. Van Overwheere, onze officier, is er niet tevreden mee. Hij wil dat je de oude mevrouw Matthijsen verhoort als verdachte.'
Ik keek hem verbaasd aan. 
'Als verdachte?'
'Ja, inzake dood door schuld.'
Een moment was ik verbijsterd. Toen steeg het bloed naar mijn hoofd.
'Ik voel er geen barst voor,' riep ik fel, emotioneel. 'Het was een ongeluk.'
De commissaris haalde zijn schouders op. 
'Het is jouw zaak,' zei hij simpel. 
Toen liep hij weg.
De commissaris had gelijk. Het was mijn zaak. Ik kende de oude mevrouw Matthijsen vrij goed. Ik kende ook haar dochter Karin, een knappe jonge vrouw van achter in de twintig, receptioniste in een groot hotel. 
Ik kwam voor het eerst met de familie in aanraking door de zelfmoord van de heer Matthijsen, vijfjaar geleden. Op een morgen sloot hij zich in zijn kamer op en joeg zich een kogel door het hoofd. Hoewel hij geen afscheidsbrief had achtergelaten, bleek spoedig dat hij door een reeks financiële manipulaties de maatschappij waarvan hij directeur was, aan de rand van een faillissement had gebracht. Het was een trieste zaak.
De heer Matthijsen was een joviale, goed geconserveerde vijftiger, met een warme blik en charmant grijs aan de slapen. Karin adoreerde hem. Tussen vader en dochter had steeds een innige band bestaan. Wanneer men Karin vroeg, waarom ze geen man zocht en trouwde, antwoordde ze lachend: 'Zolang ik vader heb, heb ik geen man nodig.' Er school in die scherts vermoedelijk meer waarheid dan iemand voor mogelijk had gehouden.
Toen de heer Matthijsen de hand aan zich zelf sloeg, was Karin radeloos, ontroostbaar. In heftige woede-uitbarstingen verweet ze haar moeder dat ze nooit enig geestelijk contact met vader had gehad, dat ze nooit enig werkelijk begrip had getoond voor de moeilijkheden waarmee hij worstelde. Kortom, de schuld van vaders zelfmoord lag bij haar.
Een dag na de begrafenis zocht mevrouw Matthijsen mij in de Warmoesstraat op. Ze vertelde onder tranen dat Karin haar spulletjes had gepakt en ervandoor was. Ze vertelde ook dat de verwijten van haar dochter ongegrond waren. Ze had altijd geprobeerd een 'totale' vrouw voor haar man te zijn. In het begin van hun huwelijk was ze dat ook. Later was ze gestuit op de onwil van haar man om haar deelgenoot van zijn zorgen te maken. Toen Karin ouder werd, sloot hij zich steeds meer van haar af, verslapte de greep die ze op hem had. Maar als moeder had ze zich verheugd dat de band tussen vader en dochter zo goed was. 
Op haar verzoek zocht ik de verblijfplaats van Karin en probeerde haar te bewegen naar huis terug te komen. Ze weigerde botweg.
'Naar dat mens... nooit meer.'
Er gingen een paar jaar voorbij waarin ik niets van de familie Matthijsen vernam.
Op een dag kreeg ik de opdracht de oorzaak te onderzoeken van een ongeval, waarbij een kleuter van anderhalf jaar om het leven was gekomen. Het jochie zou van een steile trap zijn gevallen.
Toen ik het adres van de gracht opkreeg, kwam het mij bekend voor. Meer niet. Ik reed er met een collega heen en parkeerde aan de waterkant. Er stond al een ambulancewagen en een wagentje van de zes maal twee. Een broeder van de Geneeskundige Dienst nam mij mee naar het achterhuis. Onder aan een trap lag een blond kindje. Er was zo oppervlakkig niets aan te zien. Het leek alsof het sliep, maar toen ik mij vooroverboog, zag ik bloed bij de oortjes, en ik wist wat dat betekende.
'Er is niets meer aan te doen,' fluisterde de broeder. 
Toen ik overeind kwam, zag ik haar... mevrouw Matthijsen. Ze stond aan het einde van de gang. Een potige agent hield haar bij de arm. Ze zag er vreemd, verwilderd uit, met grote holle ogen.
'Ik kon er niets aan doen.' Ze schreeuwde. 'Ik kon er niets aan doen. Zeg Karin, dat ik er niets aan doen kon.' 
Ik bracht haar naar de zitkamer.
Midden in het tumult kwam Karin thuis. Blijkbaar had iemand haar gewaarschuwd. Ze was kalm, vreemd rustig. Ze liet zich door mijn collega voorlichten, keek even naar het kindje en kwam toen bij ons in de zitkamer. Het was alsof het haar niet aanging, alsof dat dode kind onder aan de trap niet haar kind was.
De oude mevrouw Matthijsen viel voor haar op de knieën. 'Karin, ik kon er niets aan doen,' huilde ze. 'Karin, geloof me, ik kon er niets aan doen.'
Ik kreeg een diep medelijden met het oude mens en er schoot een brok in mijn keel. 'Kom, mevrouw,' zei ik zacht, 'ga weer zitten. Natuurlijk kon u er niets aan doen. Ik weet dat. Karin weet dat. Nietwaar, Karin... moeder kon er niets aan doen?'
Karin zei niets. Ze keek strak voor zich uit. 
Uit mijn onderzoek bleek dat Karin enkele maanden na het overlijden van haar vader was getrouwd met een musicus van een groot orkest. De man was ruim achttien jaar ouder dan zij. Het huwelijk was vrijwel van het begin af een mislukking. Zelfs de komst van kleine Marco kon het niet redden.
Binnen nog geen jaar spatte het uiteen en Karin trok - na een grote verzoening - met de kleine bij moeder in. 
Toen Marco ongeveer een jaar oud was, besloot Karin weer te gaan werken. En mevrouw Matthijsen moedigde het aan. Zij zou wel op de kleine passen. Maar Marco was een wild kind. Hij was al eens eerder van de trap gerold. De gevolgen waren toen niet ernstig, maar uit veiligheidsoverwegingen kwam er een hekje voor. De oude mevrouw Matthijsen bezwoer me dat ze het hekje altijd gesloten hield en ik had geen reden om aan haar woorden te twijfelen.
De enige verklaring die ik voor het ongeval kon vinden, was dat de kleine over het hekje was geklommen. 
Ik maakte een uitgebreid proces-verbaal, waarin ik stelde dat mij bij het onderzoek niets van misdrijf was gebleken en dat de dood van de kleine Marco het gevolg was van een ongeval, zoals er jaarlijks tientallen gebeuren. 
Het was al tien dagen na de begrafenis van Marco, toen ik de stukken van Mr. Van Overwheere terugkreeg met het verzoek mevrouw Matthijsen alsnog te verhoren ter zake dood door schuld.
Ik vloekte alle duivels uit de hel. Wat wilde de officier? De oude vrouw gerechtelijk vervolgen? Was zij door het feit dat zij haar enige kleinkind op zo'n noodlottige wijze had verloren niet al zwaar genoeg gestraft? Bovendien, het was geen misdrijf... en er was helemaal geen sprake van schuld.
Ik ontbood Karin op het bureau en sprak met haar over het verzoek van de officier.
'Dat kunt u niet doen,' zei ze. 'Moeder is er slecht aan toe. Ik doe mijn uiterste best haar het ongeluk te doen vergeten. En als u het nu weer oprakelt...' Ze maakte haar zin niet af. 'Praat u eens met Dr. Van Everdingen, onze huisarts.' 
Dat deed ik. Ik zette de dokter de zaak uiteen en hij gaf mij een verklaring, waarin hij schreef dat hij gezien de lichamelijke en geestelijke toestand van mevrouw Matthijsen, het niet toelaatbaar achtte dat zij door de recherche werd verhoord. Ik speelde die verklaring in handen van de officier.
Dit gebeurde drie jaar geleden en al die tijd voelde ik mij een beetje trots dat ik de zaak in samenwerking met de dokter zo 'menselijk' had opgelost.
Vorige week voerde een onderzoek mij naar een groot hotel in de binnenstad. In de hal ontmoette ik Karin. Ze schudde mij hartelijk de hand. 'Hebt u even tijd voor een kop koffie?'
We gingen in de lounge zitten. "Hoe is het met moeder?' vroeg ik.
'Moeder is dood,' antwoordde ze zacht. 
'Dat spijt me oprecht,' zei ik meelevend. 'Ik vond haar zo'n lief mens.'
Ze roerde zwijgend in haar koffie. 'Zo lief was ze niet.' Het klonk ineens fel, bitter. 'Weet u dat ze mijn kleine Marco heeft vermoord? Het was geen ongeval. Ze heeft hem gewoon van de trap gestoten. Op haar sterfbed heeft ze het mij bekend.'
Ik keek haar geschokt aan. 'Vermoord?' 
Ze knikte. 'Uit haat, wraak.'
Ik greep naar mijn hals en slikte. 'Wraak? Wat had het kind haar misdaan?'
Langs haar lippen gleed een wrange glimlach. 'Niet het kind... ik.' Ze zuchtte diep. 'Moeder was de laatste ogenblikken voor haar dood bijzonder helder. Jij hebt mij mijn man ontnomen, zei ze. Hij was het liefste dat ik had.'
Ik tastte verbijsterd naar mijn hoofd. 'Daarom . . .?' 
Karin knikte nauwelijks merkbaar. Haar hand, die naar haar koffie reikte, trilde.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week