Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 25

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 2
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

De goudeerlijke oplichtster

 

Toen ze me in de kamer van de directeur zag, moet ze onmiddellijk hebben begrepen dat haar spel uit was. Ik zag de schrik in haar ogen. Ondanks mijn verwoede pogingen er 'anders' uit te zien, schijnt iedereen van mijn gezicht te kunnen lezen hoe ik aan de kost kom. 
Ze werd bleek onder haar bescheiden make-up en langs haar magere wangen zwiepte een zenuwtrek. De hand waarin ze haar stenobloc hield, trilde. 
De directeur liet haar staan. 'Juffrouw Jansen, ik heb de recherche laten komen.' Zijn zware stem dreunde door het vertrek, echode dreigend langs de eiken lambrizering. 
Ik zat schuin achteraf in een leren fauteuil en keek haar half op de rug. Ze zag er heel onopvallend uit, wat ouderwets, gedegen, gekleed in een lichtbruin mantelpakje van grove tweed. Ze was slank, bijna fragiel, met afhangende schouders, waardoor haar armen bijzonder lang schenen. Haar dunne benen staken in een paar plompe wandelschoenen. Haar leeftijd was moeilijk te schatten. Met het korte blonde haar leek ze niet ouder dan zevenentwintig, maar ik wist dat ze al vijfendertig was. 
'U weet zeker wel waarover het gaat?' 
De directeur sprak deftig, toornig, als een magistraat-oude-stijl. Hij klapte met een weke hand op een stapeltje papieren voor zich op het bureau.
'Ik heb hier de rapporten van het laatste accountantsonderzoek. Ik.geloof dat het voor u weinig zin heeft de feiten te ontkennen.'
Ze antwoordde niet. Ze stond nog steeds rechtop met het dictaatbloc in een hand. Het was alsof de stem van de directeur haar niet beroerde, alsof zijn woorden haar voorbijgleden als een reeks klanken zonder zin.
De directeur schraapte de keel. 'Juffrouw Jansen, u heeft onze maatschappij in het verloop van slechts luttele jaren voor ruim honderdduizend gulden benadeeld.' Hij zuchtte diep. 'En ik vraag me angstig af of het bedrag van de fraude niet hoger is.'
Ze keek over hem heen naar een reproduktie van een oude kaart van Amsterdam, die bijna de gehele wand achter hem besloeg. Op haar strak, bleek gezicht was geen enkele reactie te bespeuren.
De directeur wond zich op. Haar starre houding ergerde hem bovenmate. Hij verschoof op zijn stoel. Zijn vlezige nek zag rood. bolde over zijn boordje. 
Ik glimlachte om zijn onmacht. Jarenlang had ze de interne controlemaatregelen omzeild, en zelfs de experts van een gerenommeerd accountantskantoor hadden haar fraudes niet kunnen ontdekken. Zonder ook maar een enkele cent binnen haar bereik te hebben, had ze kans gezien de maatschappij waarvoor ze werkte voor ruim honderdduizend gulden op te lichten. Toch school in haar werkwijze geen enkel raffinement. Het was alles simpel, verbijsterend eenvoudig.
Jaren geleden was ze als juffrouw Jansen op het kantoor gekomen, een stille jonge vrouw met weinig charmes. Haar chefs waren van het begin af zeer tevreden. Ze verrichtte haar taak trouw en bekwaam en veroorzaakte door haar verschijning geen extra moeilijkheden. Wat ze aan uiterlijke bekoorlijkheden bezat, hulde ze in slobberige truien en vormloze japonnen, zodat ze de mannen niet van hun werk hield.
Voor mode was ze ongevoelig. Toen mini haar intrede deed, bleef ze trouw aan de bandbreedte onder de knie. 
Haar geringe pogingen om aantrekkelijk te schijnen, strandden op de zandbank van principes die men van-huis-uit onwrikbaar in haar ziel had gelegd. Ze bleef juffrouw Jansen. En de jaren vergleden.
'Ga ik de cel in?'
Ik ontweek haar blik. De meeste vrouwen kunnen de gedachte aan eenzame opsluiting moeilijk verdragen. Ze raken erdoor in paniek. 
'Bent u er bang voor?'
Ze knikte nadrukkelijk. 'Het is het enige waar ik bang voor ben. Ik heb er vaak nachten van wakker gelegen. Ik wist dat het niet eeuwig kon duren. Vroeg of laat loopt zo iets stuk.'
'U hebt het lang volgehouden,' zei ik bewonderend. 
Ze glimlachte.
Het was prettig haar te zien glimlachen. Het leek alsof er plotseling iets lieflijks gebeurde; een expressie van blijheid die ik niet in haar had vermoed.
'Mensen in een bedrijf zijn vaak zo dom, dat ze de eenvoudigste dingen over het hoofd zien. Hoe noemen ze dat ook weer?'
'Bedrijfsblindheid,' vulde ik aan. 
'Juist, niemand controleerde ooit mijn staten.' 
Ik keek haar verwonderd aan. 'Wilt u zeggen dat niemand ooit uw girostortingen nakeek?'
Ze schudde haar hoofd. 'De directeur tekende ongezien de verzamelstaten.' Ze gebaarde met een slanke hand. 'Ze zochten de tekorten bij de kassier en anderen, die met baar geld omgingen. Niemand dacht aan mij en de mogelijkheid om gewoon per giro stortingen te doen aan mensen die je leuk vindt.'
'Zoals aan de heer Klaversteijn.' 
'Zoals aan de heer Klaversteijn,' herhaalde ze traag. 
Ik bladerde in het accountantsrapport, dat ik van de directeur als bewijsmateriaal had meegekregen. 
'De afgelopen drie jaar hebt u regelmatig vrij grote bedragen op de rekening van die heer Klaversteijn gestort. Ik kom hier op een totaal van honderdtwaalfduizend gulden.' 
'Dat kan wel kloppen,' zei ze berustend. 
Ik keek van het rapport op. 'Wie is meneer Klaversteijn?' 
Ze antwoordde niet.
'Wie is meneer Klaversteijn?' herhaalde ik dwingend. 
Ze slikte. 'Meneer Klaversteijn. .. meneer Klaversteijn is mijn man.'
Ik stond op en keek vanuit de hoogte op haar neer. 'U bent niet getrouwd,' zei ik streng. 'Bij de Burgerlijke Stand staat u ingeschreven als ongehuwd.'
Ze snoof. 'Burgerlijke Stand,' zei ze verachtend. 'Huwelijken worden in de hemel gesloten; niet op het stadhuis.' 
'U leeft dus in concubinaat,' stelde ik vast. 
Ze keek naar me op. 'U mag het noemen zoals u wilt.' 
Ik grijnsde een beetje vals. 'Fijne meneer Klaversteijn... heeft hij u zover gebracht? Had hij dat vele geld nodig?' 
Ze sprong als een furie op. Haar groene ogen vlamden. Met een van woede vertrokken gezicht trommelde ze met beide vuisten een roffel op mijn borst.
'Nee!' gilde ze. 'nee. Hendrik weet er niks van. Hij weet er niks van. . . Hij weet er niks van!' Ze barstte in tranen uit. 'Hij weet er niks...'
Ik hoorde haar nog schreeuwen nadat ik de deur van het verhoorkamertje al lang achter haar had dichtgedaan.

 

'Hendrik Klaversteijn?'
'Ja?'
De man deed de winkeldeur verder open.
'Ik ben van de recherche. Ik wil even met u praten.'
Hij knikte. 'Komt u binnen.'
Hij deed de deur achter me dicht en slofte door de winkel naar achteren; een boom van een kerel met een duidelijk gebrek aan beide benen. Hij ging wat moeizaam zitten.
'Wat kan ik voor u doen?' vroeg hij vriendelijk.
'Ik heb... eh, ik heb vanmiddag uw vrouw gearresteerd.'
Hij keek me ongelovig aan. 'Mientje?'
'Ja.'
'Dat moet een misverstand zijn.'
Ik schudde het hoofd. 'Ze heeft haar werkgever opgelicht.'
Hij glimlachte. 'Mientje,' zei hij teder, 'dat kan niet. U moet haar weer gauw loslaten. Mijn Mientje... is goudeerlijk. Het is een misverstand, gelooft u me.' 
Ik liet het onderwerp even rusten. 'Heeft u een girorekening?'
Hij haalde de brede schouders op. 'Mientje behandelt alle geldzaken. Ik heb daar niet zoveel verstand van. Mientje is goed in die dingen. Ze werkt al jaren op kantoor.' 
Hij knikte me vriendelijk toe. 'Ik ben altijd bouwvakker geweest. Driejaar geleden ben ik van een steiger gevallen.' 
Hij klopte op beide knieën. 'Kapot, ik kan er niks meer mee doen. Ik krijg natuurlijk wel een uitkering. Maar u weet hoe dat is... te weinig om van te leven, te veel om te sterven. Toen heeft Mientje van haar spaarcentjes dit sigarenzaakje gekocht.'
'Van haar spaarcentjes?'
Hij knikte. 'U zult het niet willen geloven. Ze vroegen er nog vijfentwintig rooien voor. Maar het is voor mij een hele afleiding, overdag, als Mientje naar kantoor is. En wanneer ik de merken die het hardst gaan zoveel mogelijk binnen handbereik houd, kan ik het alleen best redden.' 
Ik babbelde nog een tijdje met hem... over Mientje... haar spaarcentjes en het sigarenzaakje. 
'Waarom bent u niet met haar getrouwd?' vroeg ik. 
Er kwam een droeve blik in zijn ogen. 'Mientje wil wel. Maar je kunt je als kreupele vent toch niet voor eeuwig aan zo'n vrouw binden?'
Toen ik wegging, vroeg hij: 'U laat haar weer gauw los?' 
Ik was te laf om nee te zeggen.

 

Juffrouw Jansen had 'haar' honderdtwaalfduizend gulden goed beheerd. Buiten het sigarenzaakje had ze van het geld in Amstelveen twee fraaie herenhuizen gekocht. Toen de beide percelen publiekelijk werden verkocht, brachten ze ruim dertigduizend gulden meer op dan juffrouw Jansen ervoor had betaald. Zo bleef het sigarenzaakje buiten de vordering, die de maatschappij na het ontdekken van de fraude had ingediend.
Aan Hendrik Klaversteijn ging dat alles voorbij. Toen zijn Mientje na een milde straf van enkele maanden weer vrijkwam, hield hij tegen iedereen vol dat alles op een misverstand berustte. 
Zijn Mientje immers... was goudeerlijk.

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week