|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
De goudeerlijke oplichtster
Toen ze me in de kamer van de directeur zag, moet ze
onmiddellijk hebben begrepen dat haar spel uit was. Ik zag de schrik
in haar ogen. Ondanks mijn verwoede pogingen er 'anders' uit te
zien, schijnt iedereen van mijn gezicht te kunnen lezen hoe ik aan
de kost kom.
Ze werd bleek onder haar bescheiden make-up en langs haar magere
wangen zwiepte een zenuwtrek. De hand waarin ze haar stenobloc
hield, trilde.
De directeur liet haar staan. 'Juffrouw Jansen, ik heb de recherche
laten komen.' Zijn zware stem dreunde door het vertrek, echode
dreigend langs de eiken lambrizering.
Ik zat schuin achteraf in een leren fauteuil en keek haar half op de
rug. Ze zag er heel onopvallend uit, wat ouderwets, gedegen, gekleed
in een lichtbruin mantelpakje van grove tweed. Ze was slank, bijna
fragiel, met afhangende schouders, waardoor haar armen bijzonder
lang schenen. Haar dunne benen staken in een paar plompe
wandelschoenen. Haar leeftijd was moeilijk te schatten. Met het
korte blonde haar leek ze niet ouder dan zevenentwintig, maar ik
wist dat ze al vijfendertig was.
'U weet zeker wel waarover het gaat?'
De directeur sprak deftig, toornig, als een magistraat-oude-stijl.
Hij klapte met een weke hand op een stapeltje papieren voor zich op
het bureau.
'Ik heb hier de rapporten van het laatste accountantsonderzoek.
Ik.geloof dat het voor u weinig zin heeft de feiten te ontkennen.'
Ze antwoordde niet. Ze stond nog steeds rechtop met het dictaatbloc
in een hand. Het was alsof de stem van de directeur haar niet
beroerde, alsof zijn woorden haar voorbijgleden als een reeks
klanken zonder zin.
De directeur schraapte de keel. 'Juffrouw Jansen, u heeft onze
maatschappij in het verloop van slechts luttele jaren voor ruim
honderdduizend gulden benadeeld.' Hij zuchtte diep. 'En ik vraag me
angstig af of het bedrag van de fraude niet hoger is.'
Ze keek over hem heen naar een reproduktie van een oude kaart van
Amsterdam, die bijna de gehele wand achter hem besloeg. Op haar
strak, bleek gezicht was geen enkele reactie te bespeuren.
De directeur wond zich op. Haar starre houding ergerde hem
bovenmate. Hij verschoof op zijn stoel. Zijn vlezige nek zag rood.
bolde over zijn boordje.
Ik glimlachte om zijn onmacht. Jarenlang had ze de interne
controlemaatregelen omzeild, en zelfs de experts van een
gerenommeerd accountantskantoor hadden haar fraudes niet kunnen
ontdekken. Zonder ook maar een enkele cent binnen haar bereik te
hebben, had ze kans gezien de maatschappij waarvoor ze werkte voor
ruim honderdduizend gulden op te lichten. Toch school in haar
werkwijze geen enkel raffinement. Het was alles simpel,
verbijsterend eenvoudig.
Jaren geleden was ze als juffrouw Jansen op het kantoor gekomen, een
stille jonge vrouw met weinig charmes. Haar chefs waren van het
begin af zeer tevreden. Ze verrichtte haar taak trouw en bekwaam en
veroorzaakte door haar verschijning geen extra moeilijkheden. Wat ze
aan uiterlijke bekoorlijkheden bezat, hulde ze in slobberige truien
en vormloze japonnen, zodat ze de mannen niet van hun werk hield.
Voor mode was ze ongevoelig. Toen mini haar intrede deed, bleef ze
trouw aan de bandbreedte onder de knie.
Haar geringe pogingen om aantrekkelijk te schijnen, strandden op de
zandbank van principes die men van-huis-uit onwrikbaar in haar ziel
had gelegd. Ze bleef juffrouw Jansen. En de jaren vergleden.
'Ga ik de cel in?'
Ik ontweek haar blik. De meeste vrouwen kunnen de gedachte aan
eenzame opsluiting moeilijk verdragen. Ze raken erdoor in paniek.
'Bent u er bang voor?'
Ze knikte nadrukkelijk. 'Het is het enige waar ik bang voor ben. Ik
heb er vaak nachten van wakker gelegen. Ik wist dat het niet eeuwig
kon duren. Vroeg of laat loopt zo iets stuk.'
'U hebt het lang volgehouden,' zei ik bewonderend.
Ze glimlachte.
Het was prettig haar te zien glimlachen. Het leek alsof er
plotseling iets lieflijks gebeurde; een expressie van blijheid die
ik niet in haar had vermoed.
'Mensen in een bedrijf zijn vaak zo dom, dat ze de eenvoudigste
dingen over het hoofd zien. Hoe noemen ze dat ook weer?'
'Bedrijfsblindheid,' vulde ik aan.
'Juist, niemand controleerde ooit mijn staten.'
Ik keek haar verwonderd aan. 'Wilt u zeggen dat niemand ooit uw
girostortingen nakeek?'
Ze schudde haar hoofd. 'De directeur tekende ongezien de
verzamelstaten.' Ze gebaarde met een slanke hand. 'Ze zochten de
tekorten bij de kassier en anderen, die met baar geld omgingen.
Niemand dacht aan mij en de mogelijkheid om gewoon per giro
stortingen te doen aan mensen die je leuk vindt.'
'Zoals aan de heer Klaversteijn.'
'Zoals aan de heer Klaversteijn,' herhaalde ze traag.
Ik bladerde in het accountantsrapport, dat ik van de directeur als
bewijsmateriaal had meegekregen.
'De afgelopen drie jaar hebt u regelmatig vrij grote bedragen op de
rekening van die heer Klaversteijn gestort. Ik kom hier op een
totaal van honderdtwaalfduizend gulden.'
'Dat kan wel kloppen,' zei ze berustend.
Ik keek van het rapport op. 'Wie is meneer Klaversteijn?'
Ze antwoordde niet.
'Wie is meneer Klaversteijn?' herhaalde ik dwingend.
Ze slikte. 'Meneer Klaversteijn. .. meneer Klaversteijn is mijn
man.'
Ik stond op en keek vanuit de hoogte op haar neer. 'U bent niet
getrouwd,' zei ik streng. 'Bij de Burgerlijke Stand staat u
ingeschreven als ongehuwd.'
Ze snoof. 'Burgerlijke Stand,' zei ze verachtend. 'Huwelijken worden
in de hemel gesloten; niet op het stadhuis.'
'U leeft dus in concubinaat,' stelde ik vast.
Ze keek naar me op. 'U mag het noemen zoals u wilt.'
Ik grijnsde een beetje vals. 'Fijne meneer Klaversteijn... heeft hij
u zover gebracht? Had hij dat vele geld nodig?'
Ze sprong als een furie op. Haar groene ogen vlamden. Met een van
woede vertrokken gezicht trommelde ze met beide vuisten een roffel
op mijn borst.
'Nee!' gilde ze. 'nee. Hendrik weet er niks van. Hij weet er niks
van. . . Hij weet er niks van!' Ze barstte in tranen uit. 'Hij weet
er niks...'
Ik hoorde haar nog schreeuwen nadat ik de deur van het
verhoorkamertje al lang achter haar had dichtgedaan.
'Hendrik Klaversteijn?'
'Ja?'
De man deed de winkeldeur verder open.
'Ik ben van de recherche. Ik wil even met u praten.'
Hij knikte. 'Komt u binnen.'
Hij deed de deur achter me dicht en slofte door de winkel naar
achteren; een boom van een kerel met een duidelijk gebrek aan beide
benen. Hij ging wat moeizaam zitten.
'Wat kan ik voor u doen?' vroeg hij vriendelijk.
'Ik heb... eh, ik heb vanmiddag uw vrouw gearresteerd.'
Hij keek me ongelovig aan. 'Mientje?'
'Ja.'
'Dat moet een misverstand zijn.'
Ik schudde het hoofd. 'Ze heeft haar werkgever opgelicht.'
Hij glimlachte. 'Mientje,' zei hij teder, 'dat kan niet. U moet haar
weer gauw loslaten. Mijn Mientje... is goudeerlijk. Het is een
misverstand, gelooft u me.'
Ik liet het onderwerp even rusten. 'Heeft u een girorekening?'
Hij haalde de brede schouders op. 'Mientje behandelt alle geldzaken.
Ik heb daar niet zoveel verstand van. Mientje is goed in die dingen.
Ze werkt al jaren op kantoor.'
Hij knikte me vriendelijk toe. 'Ik ben altijd bouwvakker geweest.
Driejaar geleden ben ik van een steiger gevallen.'
Hij klopte op beide knieën. 'Kapot, ik kan er niks meer mee doen. Ik
krijg natuurlijk wel een uitkering. Maar u weet hoe dat is... te
weinig om van te leven, te veel om te sterven. Toen heeft Mientje
van haar spaarcentjes dit sigarenzaakje gekocht.'
'Van haar spaarcentjes?'
Hij knikte. 'U zult het niet willen geloven. Ze vroegen er nog
vijfentwintig rooien voor. Maar het is voor mij een hele afleiding,
overdag, als Mientje naar kantoor is. En wanneer ik de merken die
het hardst gaan zoveel mogelijk binnen handbereik houd, kan ik het
alleen best redden.'
Ik babbelde nog een tijdje met hem... over Mientje... haar
spaarcentjes en het sigarenzaakje.
'Waarom bent u niet met haar getrouwd?' vroeg ik.
Er kwam een droeve blik in zijn ogen. 'Mientje wil wel. Maar je kunt
je als kreupele vent toch niet voor eeuwig aan zo'n vrouw binden?'
Toen ik wegging, vroeg hij: 'U laat haar weer gauw los?'
Ik was te laf om nee te zeggen.
Juffrouw Jansen had 'haar' honderdtwaalfduizend
gulden goed beheerd. Buiten het sigarenzaakje had ze van het geld in
Amstelveen twee fraaie herenhuizen gekocht. Toen de beide percelen
publiekelijk werden verkocht, brachten ze ruim dertigduizend gulden
meer op dan juffrouw Jansen ervoor had betaald. Zo bleef het
sigarenzaakje buiten de vordering, die de maatschappij na het
ontdekken van de fraude had ingediend.
Aan Hendrik Klaversteijn ging dat alles voorbij. Toen zijn Mientje
na een milde straf van enkele maanden weer vrijkwam, hield hij tegen
iedereen vol dat alles op een misverstand berustte.
Zijn Mientje immers... was goudeerlijk.
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|