|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Flekkie
Ze liep wat onzeker op mij toe: een volslanke vrouw
in een grauwe regenmantel. Zij had diepbruine ogen in een gaaf ovaal
gezicht. Ik schatte haar begin veertig.
Ze pakte de stoel voor mijn bureau en ging zitten.
'Mijn hond is dood,' opende zij toonloos. 'Zij is vannacht
gestorven.'
Zij knoopte haar hoofddoekje los en schikte wat aan het zwarte haar.
'Ik denk dat de buurman haar iets te vreten heeft gegeven. Buurman
heeft de pest aan honden. Aan mensen ook... als je het mij vraagt.'
Zij keek even naar mij op. 'Dat noemen ze een misantroop. Wist u
dat?'
Ik schudde mijn hoofd.
Zij knikte. 'Toch is het zo. Ik heb het eens gelezen. Misantroop. ..
mensenhater. Het komt misschien ook omdat de man al jaren alleen is.
Dan word je op den duur wat zonderling. Flekkie bromde ook altijd
tegen hem. Zo gauw ze buurman zag, trok ze haar lip op. Het dier
voelde gewoon dat buurman haar niet mocht. Dieren ruiken dat. Wij
mensen niet. Wij laten ons nog weleens belazeren. Maar een hond ...
een hond belazer je niet. Als je niks met beesten op hebt... dat
merken ze direct. Flekkie had dat toch heel erg. Als ik eens iemand
op visite had en Flekkie begon tegen hem te brommen, dan zei ik
tegen mijzelf: Marie, met die vent moet je niet verder gaan.
Begrijpt u, ik vertrouwde op haar instinct.'
Haar onderlip begon te trillen. 'Het was zo'n lief beest, zo
intelligent.' Zij pakte een zakdoekje en wiste een traan uit haar
ogen.
'Ik heb haar gekregen toen mijn man stierf. Van mijn neef. Hij zei:
Dan heb je wat afleiding.'
Ik knikte begrijpend. 'En nu denkt u dat buurman haar heeft
vergiftigd?'
Zij borg haar zakdoekje weg. 'Dat denk ik, ja. Ziet u, misschien is
het wel geen slecht mens, maar Flekkie mocht hem nu eenmaal niet. En
dat liet ze blijken ook.'
'Heeft iemand gezien dat buurman uw hond iets te eten heeft
gegeven?'
Er kwamen weer tranen in haar ogen. 'Dat niet,' zei ze jammerend.
'Maar ze is dood.'
Ik beloofde een onderzoek in te zullen stellen.
Buurman, de misantroop, bleek een aardige oude baas, die de
beschuldiging de hond te hebben vergiftigd vol verontwaardiging van
de hand wees. 'Het dier bromde wel altijd tegen me, maar om zo'n
beest nou kwaad te doen... dat komt toch gewoon niet bij je op.'
Een half jaartje later kwam ik haar bij toeval tegen. Zij had een
jonge spaniël aan de lijn. Zij zag er patent uit, blozend,
opgewekt.
'Hoe is het?' vroeg ik overbodig.
Zij lachte vrolijk. 'Heel goed.'
Ik wees naar de jonge hond aardde lijn. 'Bromt hij ook tegen
buurman?'
Zij draaide het hoofd iets weg. 'Ik heb hem van buurman gekregen.'
'Wat?' riep ik verrast.
Zij knikte nadrukkelijk. 'Hij woont nu bij mij in ... al een paar
maanden. Het gaat heel goed. Misschien gaan we aan het eind van het
jaar wel trouwen.'
Ik grinnikte ongelovig. 'En Flekkie bromde altijd zo tegen hem.'
Er kwam een glans van vertedering op haar gezicht. 'Het stomme dier
. . .' Zij trok de schouders op. 'Ze heeft zich vergist.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|