|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 9 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1997 |
|
Chantage
Ze zat naast een bewakingsman in uniform, een klein,
muisgrijs vrouwtje in een nette bontjas. Ik schatte haar op
halverwege de zeventig.
'Is dat 'r?' vroeg ik met een zweem van ongeloof.
De bewakingsman van het warenhuis stond op en knikte. 'Toen ze door
de draaideur naar binnen kwam, vond ik direct al dat ze vreemd deed.
Daarom bleef ik op haar letten. Terwijl de caissière van het
middenvak geld wisselde, deed ze plotseling een greep in de kassa.'
Hij grinnikte. 'Ze kwam natuurlijk niet ver. Voordat ze bij de
uitgang was, had ik haar te pakken. Ik heb het geld uit haar hand
genomen. Negen honderdjes.'
Ik hurkte bij het vrouwtje neer en keek in haar gezicht. Ze had
gehuild. Tranen hadden haar make-up verveegd.
'Is het waar?' vroeg ik.
Ze knikte nauwelijks merkbaar. 'Dan moet u met mij mee.'
Het regende buiten. Het dunne, grijze haar plakte op haar hoofd. Het
scheen haar niet te deren. Pas toen ze bij mij aan het bureau zat,
kwam er wat leven in haar ogen.
'Waarom?' vroeg ik.
Ze trok haar schouders iets op. 'Vanavond komen ze weer.'
'Wie?'
'Mijn kleindochter en haar man. En dan willen ze weer geld van me.'
'Dat u moet stelen?'
Ze schudde haar hoofd. 'Dat zeggen ze niet. Natuurlijk niet. Maar ik
heb geen geld meer. Ik heb alles al gegeven.
Toen mijn man stierf, had ik nog een leuk spaarcentje. Voor de oude
dag, begrijpt u. Mijn man en ik hebben altijd heel zuinig geleefd.
Nu heb ik niets meer. Helemaal niets. Ik heb de vorige keer mijn
laatste centjes van de bank gehaald. Dat heb ik hun ook gezegd, maar
ze willen me gewoon niet geloven.'
'Waarvoor hebben ze dat geld dan nodig?' Ze zuchtte diep. 'Voor
alles... voor hun auto die gerepareerd moet worden... voor de
hypotheek die ze niet kunnen betalen. Er is steeds wat.'
'Dan moet u gewoon geen geld meer geven.' Ze begon weer te huilen.
Met de rug van haar hand veegde ze de tranen weg. 'Dat heb ik al een
paar maal geprobeerd. Maar als ik nee zeg...' Ze stokte, keek naar
mij op. 'Ik heb twee achterkleinkinderen, meneer. Schatten. Ze zijn
alles wat ik heb.' Ze glimlachte door haar tranen heen. 'Vooral die
kleine jongen van ze ligt dicht aan mijn hart. Een lekker kereltje,
en hij kan zo gezellig kletsen. Dan is het "omaatje voor en omaatje
na" en dan maakt hij tekeningen voor me. Die kleine meid van ze is
ook een schatje, hoor, maar die jongen...' De gedachte aan de
kinderen fleurde haar zichtbaar op.
Omdat ik in mijn onnozelheid het verband niet zag, onderbrak ik haar
lofzang. 'Maar wat doen ze dan, als u hun geen geld geeft?'
Ze liet haar hoofd zakken, ineens weer intriest. 'Dan, meneer... dan
houden ze de kinderen bij mij weg.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|