|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 3 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Loterij
Toen ik op een morgen het rapport nakeek, bleek dat
ik drie arrestanten had die door mij dienden te worden verhoord. De
een werd beschuldigd van mishandeling, de tweede van diefstal en de
derde van oplichting.
Mishandelingen hebben nooit mijn sympathie. Ik vind het
mensonwaardig elkaar opgewekt op de snuit te timmeren, al kan ik mij
een gemoedstoestand indenken waarin men een bijl opneemt met een
ander doel dan bomen te hakken. Met diefstal heb ik minder moeite.
Het ligt zo na aan de mens, dat ik mij in gemoede weleens afvraag of
er op dit ondermaanse nog mensen rondlopen, die nog nooit iets
hebben gestolen. Dat ze nog niet zijn gepakt, is de enige reden
waarom ze niet als dief te boek staan.
Oplichters vormen een apart slag. Hoewel bedrog even verderfelijk is
als welk misdrijf ook, hebben oplichters vaak iets van een artiest.
Zij zijn illusionisten. Zij toveren de mensen iets voor. Zij
parasiteren op de goedgelovigheid en de domheid van hun medemensen.
Ik ken collega's die menen, dat de politie er niet voor is de
mensheid tegen haar eigen domheid te beschermen. Ik deel die mening
niet. Ik beschouw domheid en goedgelovigheid als een van de
charmantste eigenschappen van de mens.
Daar ik nieuwsgierig was naar de oplichter haalde ik hem als eerste
uit de cel. Hij bleek een kleine tengere man van zo rond de vijftig.
Hij had een snor, die veel te martiaal was voor zijn geringe
voorkomen, en boven de ingevallen wangen zwommen een paar
uitgedoofde ogen.
Hij keek mij droevig aan. 'Het is nu wel afgelopen met mij, meneer,'
sprak hij somber. 'Fini.'
'Waarom?' vroeg ik.
'Ze pruimen mij niet meer. En gelijk hebben ze. Maar waar vind ik op
mijn leeftijd nog een andere baan?'
Ik trok de schouders op. 'Het moet voor een mens toch altijd weer
mogelijk zijn met een schone lei te beginnen.'
Hij gebaarde triest. 'Wat is er aan mij nog schoon te maken?'
Ik bood hem de stoel naast mijn bureau aan. 'Als je mij eens
vertelde wat er aan de hand is.'
Hij keek verwonderd naar mij op. 'Hebt u het dan niet gelezen in het
proces-verbaal?'
Ik glimlachte. 'Dat wel. Maar ik houd niet zo van processen-verbaal.
Ze zijn zo koel, zakelijk.'
Hij zuchtte diep. 'Ik was het mannetje van de loterij. Begrijpt u?
We hadden bij ons op de fabriek een groepje van een man of twintig
en daarmee speelden we twintig hele loten. Dat is gunstig als je
opeenvolgende eindnummers neemt. Dan heb je van die twintigmaal
vijfentwintig gulden, dat is vijfhonderd gulden, toch altijd honderd
gulden terug. Een heel lot kost dan feitelijk maar twintig gulden
per stuk.'
Hij zweeg even. 'Het was een loterijclubje van niets. Daar konden de
jongens niets aan doen, maar we wonnen nooit wat. Ik vond dat op den
duur zonde van het geld. Ik heb toen in plaats van hele loten,
twintig 'vijfjes' gekocht. De nummers schreef ik gewoon op het
mededelingenbord.'
'Maar je liet de mensen van het clubje wel voor hele loten betalen?'
'Ja.'
'Hoelang?'
'Al een paar jaar.'
'En van de week is het stukgelopen?'
Hij liet het hoofd wat zakken. 'Laat nou op een van die nummers de
honderdduizend vallen.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|