In mijn familie gaat het verhaal van een oudoom die
na een intens en woelig leven op zijn achtendertigste jaar min of
meer werd gedwongen om met een onaantrekkelijke vrouw te trouwen.
Tijdens de eerste huwelijksnacht vroeg hij haar of ze zich geheel
wilde ontkleden en bekeek haar daarna aandachtig. Na enige tijd
blikte hij glimlachend naar haar op en zei vriendelijk: 'Ach, meid,
we zullen het er samen mee moeten doen.'
In een klein land, niet eens zo ver hiervandaan, was
een bron door een valse profeet vergiftigd. De mensen die van het
water uit die vergiftigde bron dronken, werden krankzinnig.
De wijze mannen en vrouwen in dat landje bemerkten
dat en besloten van die bron niet te drinken. Zo bleven zij wijs en
nuchter.
De krankzinnig geworden mensen bezagen het - in hun
ogen - onwijze gedrag van de wijze mannen en vrouwen en dwongen hen
om ook van de bron te drinken. Toen waren er geen wijzen meer in dat
land.
Ik heb dat verhaal van die oudoom van mij nooit
geloofd. Ook geloof ik niet dat er een land is geweest met een
vergiftigde bron die mensen krankzinnig maakte. Toch blijven
dergelijke verhalen in onze herinnering hangen, opgeborgen in de
stoffige rommelkamer van ons geheugen. Er zijn tal van dergelijke
vertelsels, waarvan feitelijk niemand weet hoe en wanneer ze zijn
ontstaan, uit wiens pen ze zijn gevloeid. Ze hebben één ding gemeen:
een wijsheid en een charme waardoor ze nooit verouderen. Vrijwel
zeker zijn ze in de loop der tijd steeds opnieuw aangepast aan de
heersende normen en gebruiken. Maar de essentie bleef.
Ik heb een klaverblaadje vertelsels voor u
geplukt... een klavertjevier. Ik heb getracht om ze zo strak
mogelijk te verwoorden en alle overbodige franje weg te laten. Ik
raad u aan om na elk verhaal een korte pauze in te lassen om even na
te denken... en te glimlachen.
Eén... de Chinees
Er was eens - zo begonnen alle sprookjes - een
jongeman die zijn dierbare vrouw na een lang ziekbed had verloren.
Trouw ging hij elke zondag naar het kerkhof en legde stapels bloemen
op haar graf.
Tijdens zijn wekelijkse bezoeken aan het kerkhof
ontmoette hij steeds een oude Chinees, die telkens onbewogen een
emaillen pannetje bij het graf van zijn zoon plaatste. De jongeman,
wekelijks geconfronteerd met deze vreemde ceremonie, kon op den duur
zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Op een zondag sprak hij
de oude Chinees aan en vroeg hem wat er in dat pannetje zat. De oude
Chinees keek wat verstoord op. 'Bami,' antwoordde hij met een brede
glimlach, 'heerlijke bami... zelfgemaakt.'
'Voor wie?'
De Chinees gebaarde naar het graf.
'Voor mijn zoon. Hij ligt hier begraven.'
De jongeman trok een grijns. 'En wanneer denkt u dat
uw zoon de bami komt opeten?'
Het klonk hautain, wat spottend.
De oude Chinees antwoordde niet direct. Enige
seconden staarde hij voor zich uit. 'Ik... eh, ik denk,' sprak hij
voorzichtig, 'op hetzelfde moment dat uw vrouw naar uw bloemen komt
kijken.'
Twee... een perzik
Er was eens een bijzonder kunstzinnige vrouw. Ze
maakte prachtige wandkleden, schilderde fraaie landschappen en
boetseerde. Het liefst boetseerde ze vruchten. Wanneer de klei was
gedroogd, penseelde ze die zorgvuldig in de juiste kleuren.
Vrouwen die haar regelmatig bezochten en zich als
vriendinnen presenteerden, konden nooit enige waardering voor haar
kunstwerken opbrengen. Tot groot verdriet van de kunstzinnige vrouw
bekritiseerden de vriendinnen elk werkstuk dat zij maakte.
Op een dag liet ze een door haar gemaakte perzik
zien. De perzik ging rond en alle vriendinnen, zonder uitzondering,
hadden een kritisch en vaak vernietigend commentaar. Volgens hen
deugde de vorm niet en ook de kleuren hadden niet de juiste
schakeringen.
Toen ieder de perzik had bekeken en haar zegje had
gezegd, nam de kunstzinnige vrouw de vrucht in haar hand, bracht die
naar haar mond en hapte. Het zoete sap droop langs haar kin.
Verbijsterd keken de vriendinnen toe. De perzik was echt.
Drie... de mooiste
In een tijd dat men het beladen woord discriminatie
nog niet kende, was er een negerin die een zoontje had. Het ventje
was zo lelijk en wanstaltig, dat eenieder met afgrijzen naar hem
keek.
Op een dag kwam de negerin als keukenhulp in dienst
van een rijke blanke plantersvrouw. Die morgen bakte de
plantersvrouw een cake. Ze sneed er een stuk af, deed dat in een
trommeltje en gaf het aan de negerin. 'Breng dit even naar mijn
zoontje op het plein voor de school.'
De negerin keek haar verlegen aan. 'Er spelen daar
zo veel kinderen. Ik ben hier vandaag voor het eerst. Ik heb uw zoon
nog nooit ontmoet... hoe zal ik hem herkennen?'
De plantersvrouw lachte wat hooghartig. 'Geef het
stuk cake maar aan het liefste, mooiste en knapste kereltje datje
daar ziet. Dat is mijn zoon.'
De negerin verdween. Na een halfuurtje kwam ze
zonder cake terug. 'En,' vroeg de plantersvrouw, 'heb je gedaan wat
ik heb gezegd... de cake gegeven aan het liefste, mooiste en knapste
kereltje van het schoolplein?'
'Ja, dat heb ik gedaan.'
'Dan is het goed.'
De negerin schudde haar hoofd.
'Ik denk niet dat het goed is,' reageerde ze
schuchter.
'Toch heb ik goed gekeken. Ziet u, het liefste,
mooiste en knapste kereltje op het schoolplein was niet uw
zoontje... maar het mijne.'
Vier... de pastoor
In de buurt van een grote rivier woonde een pastoor
in zijn pastorie. Op een dag brak een dijk van de rivier door. Enige
zorgzame vrouwen stapten naar de pastorie en waarschuwden: 'U mag
wel maken dat u hier wegkomt, meneer pastoor, de dijk is
doorgebroken en het water stijgt.'
De pastoor vouwde devoot zijn handen.
'Ik ga niet weg. Ik blijf hier. Ik vertrouw op God.'
En het water steeg. Toen het de eerste etage van de
pastorie had bereikt, kwamen er twee mannen in een roeiboot voorbij.
'Stap in, meneer pastoor,' zeiden ze. 'Het wordt nu toch wel
gevaarlijk.'
De pastoor schudde zijn eerbiedwaardige hoofd.
'Ik blijf hier,' gaf hij te kennen. Ik vertrouw op
God.'
En het water steeg en bleef stijgen. Toen de pastoor
op het dak van zijn pastorie zat en zich aan de schoorsteen
vastklemde, kwam er een helikopter uit een wolk en liet een
touwladder zakken. 'Klim omhoog,' riep de piloot. 'Het water stijgt
nog steeds.'
De pastoor schudde opnieuw zijn hoofd. 'Ik blijf
hier,' riep hij boven het motorgeronk uit. 'Ik vertrouw op God.'
En hij verdronk.
Toen de pastoor in de hemel arriveerde, was hij
ontstemd. Hij vroeg een onderhoud met de Allerhoogste en beklaagde
zich. 'God,' zei hij, 'hoe kon u nu een van uw trouwste dienaren
laten verdrinken?'
God trok zich terug in zijn binnenkamer. Hij was
bedroefd. Hij had niet echt gewild dat zijn trouwe dienaar verdronk
en hij vroeg zich bezorgd af wat er was misgegaan. Hij had toch
eerst een paar vrouwen gestuurd om hem te waarschuwen, toen twee
mannen in een roeiboot om hem te redden en uiteindelijk zelfs een
helikopter om hem...