Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 126

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 8
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1996

 

Verhalen

 

In mijn familie gaat het verhaal van een oudoom die na een intens en woelig leven op zijn achtendertigste jaar min of meer werd gedwongen om met een onaantrekkelijke vrouw te trouwen. Tijdens de eerste huwelijksnacht vroeg hij haar of ze zich geheel wilde ontkleden en bekeek haar daarna aandachtig. Na enige tijd blikte hij glimlachend naar haar op en zei vriendelijk: 'Ach, meid, we zullen het er samen mee moeten doen.'

 

In een klein land, niet eens zo ver hiervandaan, was een bron door een valse profeet vergiftigd. De mensen die van het water uit die vergiftigde bron dronken, werden krankzinnig.

De wijze mannen en vrouwen in dat landje bemerkten dat en besloten van die bron niet te drinken. Zo bleven zij wijs en nuchter.

De krankzinnig geworden mensen bezagen het - in hun ogen - onwijze gedrag van de wijze mannen en vrouwen en dwongen hen om ook van de bron te drinken. Toen waren er geen wijzen meer in dat land.

 

Ik heb dat verhaal van die oudoom van mij nooit geloofd. Ook geloof ik niet dat er een land is geweest met een vergiftigde bron die mensen krankzinnig maakte. Toch blijven dergelijke verhalen in onze herinnering hangen, opgeborgen in de stoffige rommelkamer van ons geheugen. Er zijn tal van dergelijke vertelsels, waarvan feitelijk niemand weet hoe en wanneer ze zijn ontstaan, uit wiens pen ze zijn gevloeid. Ze hebben één ding gemeen: een wijsheid en een charme waardoor ze nooit verouderen. Vrijwel zeker zijn ze in de loop der tijd steeds opnieuw aangepast aan de heersende normen en gebruiken. Maar de essentie bleef.

Ik heb een klaverblaadje vertelsels voor u geplukt... een klavertjevier. Ik heb getracht om ze zo strak mogelijk te verwoorden en alle overbodige franje weg te laten. Ik raad u aan om na elk verhaal een korte pauze in te lassen om even na te denken... en te glimlachen.

 

Eén... de Chinees

Er was eens - zo begonnen alle sprookjes - een jongeman die zijn dierbare vrouw na een lang ziekbed had verloren. Trouw ging hij elke zondag naar het kerkhof en legde stapels bloemen op haar graf.

Tijdens zijn wekelijkse bezoeken aan het kerkhof ontmoette hij steeds een oude Chinees, die telkens onbewogen een emaillen pannetje bij het graf van zijn zoon plaatste. De jongeman, wekelijks geconfronteerd met deze vreemde ceremonie, kon op den duur zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Op een zondag sprak hij de oude Chinees aan en vroeg hem wat er in dat pannetje zat. De oude Chinees keek wat verstoord op. 'Bami,' antwoordde hij met een brede glimlach, 'heerlijke bami... zelfgemaakt.'

'Voor wie?'

De Chinees gebaarde naar het graf.

'Voor mijn zoon. Hij ligt hier begraven.'

De jongeman trok een grijns. 'En wanneer denkt u dat uw zoon de bami komt opeten?'

Het klonk hautain, wat spottend.

De oude Chinees antwoordde niet direct. Enige seconden staarde hij voor zich uit. 'Ik... eh, ik denk,' sprak hij voorzichtig, 'op hetzelfde moment dat uw vrouw naar uw bloemen komt kijken.'

 

Twee... een perzik

Er was eens een bijzonder kunstzinnige vrouw. Ze maakte prachtige wandkleden, schilderde fraaie landschappen en boetseerde. Het liefst boetseerde ze vruchten. Wanneer de klei was gedroogd, penseelde ze die zorgvuldig in de juiste kleuren.

Vrouwen die haar regelmatig bezochten en zich als vriendinnen presenteerden, konden nooit enige waardering voor haar kunstwerken opbrengen. Tot groot verdriet van de kunstzinnige vrouw bekritiseerden de vriendinnen elk werkstuk dat zij maakte.

Op een dag liet ze een door haar gemaakte perzik zien. De perzik ging rond en alle vriendinnen, zonder uitzondering, hadden een kritisch en vaak vernietigend commentaar. Volgens hen deugde de vorm niet en ook de kleuren hadden niet de juiste schakeringen.

Toen ieder de perzik had bekeken en haar zegje had gezegd, nam de kunstzinnige vrouw de vrucht in haar hand, bracht die naar haar mond en hapte. Het zoete sap droop langs haar kin. Verbijsterd keken de vriendinnen toe. De perzik was echt.

 

Drie... de mooiste

In een tijd dat men het beladen woord discriminatie nog niet kende, was er een negerin die een zoontje had. Het ventje was zo lelijk en wanstaltig, dat eenieder met afgrijzen naar hem keek.

Op een dag kwam de negerin als keukenhulp in dienst van een rijke blanke plantersvrouw. Die morgen bakte de plantersvrouw een cake. Ze sneed er een stuk af, deed dat in een trommeltje en gaf het aan de negerin. 'Breng dit even naar mijn zoontje op het plein voor de school.'

De negerin keek haar verlegen aan. 'Er spelen daar zo veel kinderen. Ik ben hier vandaag voor het eerst. Ik heb uw zoon nog nooit ontmoet... hoe zal ik hem herkennen?'

De plantersvrouw lachte wat hooghartig. 'Geef het stuk cake maar aan het liefste, mooiste en knapste kereltje datje daar ziet. Dat is mijn zoon.'

De negerin verdween. Na een halfuurtje kwam ze zonder cake terug. 'En,' vroeg de plantersvrouw, 'heb je gedaan wat ik heb gezegd... de cake gegeven aan het liefste, mooiste en knapste kereltje van het schoolplein?'

'Ja, dat heb ik gedaan.'

'Dan is het goed.'

De negerin schudde haar hoofd.

'Ik denk niet dat het goed is,' reageerde ze schuchter.

'Toch heb ik goed gekeken. Ziet u, het liefste, mooiste en knapste kereltje op het schoolplein was niet uw zoontje... maar het mijne.'

 

Vier... de pastoor

In de buurt van een grote rivier woonde een pastoor in zijn pastorie. Op een dag brak een dijk van de rivier door. Enige zorgzame vrouwen stapten naar de pastorie en waarschuwden: 'U mag wel maken dat u hier wegkomt, meneer pastoor, de dijk is doorgebroken en het water stijgt.'

De pastoor vouwde devoot zijn handen.

'Ik ga niet weg. Ik blijf hier. Ik vertrouw op God.'

En het water steeg. Toen het de eerste etage van de pastorie had bereikt, kwamen er twee mannen in een roeiboot voorbij. 'Stap in, meneer pastoor,' zeiden ze. 'Het wordt nu toch wel gevaarlijk.'

De pastoor schudde zijn eerbiedwaardige hoofd.

'Ik blijf hier,' gaf hij te kennen. Ik vertrouw op God.'

En het water steeg en bleef stijgen. Toen de pastoor op het dak van zijn pastorie zat en zich aan de schoorsteen vastklemde, kwam er een helikopter uit een wolk en liet een touwladder zakken. 'Klim omhoog,' riep de piloot. 'Het water stijgt nog steeds.'

De pastoor schudde opnieuw zijn hoofd. 'Ik blijf hier,' riep hij boven het motorgeronk uit. 'Ik vertrouw op God.'

En hij verdronk.

Toen de pastoor in de hemel arriveerde, was hij ontstemd. Hij vroeg een onderhoud met de Allerhoogste en beklaagde zich. 'God,' zei hij, 'hoe kon u nu een van uw trouwste dienaren laten verdrinken?'

God trok zich terug in zijn binnenkamer. Hij was bedroefd. Hij had niet echt gewild dat zijn trouwe dienaar verdronk en hij vroeg zich bezorgd af wat er was misgegaan. Hij had toch eerst een paar vrouwen gestuurd om hem te waarschuwen, toen twee mannen in een roeiboot om hem te redden en uiteindelijk zelfs een helikopter om hem...

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week