Wie de eenzaamheid kent van mensen
die geen enkele familieband meer bezitten, beseft dat het hebben van
familierelaties een wezenlijk onderdeel vormt van ons persoonlijke
welzijn. Toegegeven, er zijn momenten dat men graag van zijn hele
familie verlost zou zijn. Toch blijven dat opwellingen. Ik bedoel,
het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan. Ik zou mijn oude
moeder, mijn schoonouders, mijn vele neven en nichten - en onder hen
zijn 'addertjes' - voor geen goud willen missen. Ik heb dan ook het
geluk niet op hen te lijken - of beter gezegd, geen van hen heeft
het ongeluk op mij te lijken. En dat pleegt bij families weieens
voor te komen.
Pieter de Vries had een neef. Een
echte 'volle' neef, kind van een broer van zijn vader. Hij heette
Klaas en verder uiteraard ook De Vries. Ze waren beiden ongeveer
even oud en leken als druppels water op elkaar. Op zich is dat geen
ramp, alleen. . . Klaas was een crimineel. En niet zo'n kleintje
ook. Op zijn drieëntwintigste jaar had hij al bijna alles gedaan wat
God en het Wetboek van Strafrecht in hun onmetelijke wijsheid hebben
verboden.
Nu heeft elke familie wel haar
'zwarte schaap'. En dat is leuk, want dan hebben de familieleden
tijdens de vervelende verjaarspartijtjes iets om met elkaar over te
roddelen. Een zwart schaap geeft wat kleur aan het familiegebeuren.
Daarom, laten wij hem of haar met onze liefde omringen. Zo dacht ook
Pieter ... tot hij op een kwade nacht door de politie bruut van zijn
bed werd gelicht en zonder enig pardon in een duistere cel werd
geworpen. De aanklacht luidde: beroving en verkrachting.
Dat zijn nu eenmaal geen
misdrijven die een rechtschapen man zich zonder meer laat aanleunen.
Pieter was een rechtschapen man. Zijn lieve vrouw kwam dat de
volgende morgen getuigen. Nadat de zaak tot op de bodem was
uitgeplozen, bleek dat niet Pieter, maar neef Klaas de wandaden had
begaan.
Nadien werd Pieter nog vele malen
opgepakt voor misdrijven, die neef Klaas op zijn geweten had. Ik
moet u tot mijn schande bekennen dat ook ik Pieter weieens ten
onrechte heb gearresteerd.
Enige tijd geleden kwam een man
aangifte bij mij doen van diefstal van zijn fiets. Hij keek mij wat
schuins aan. 'Kent u mij niet meer?'
Terwijl ik hem nauwlettend
gadesloeg, herkende ik Pieter de Vries. Hij had alleen een andere
neus, veel langer, spitser.
'Wat is er gebeurd?' vroeg ik wat
verward. Pieter trok de schouders op. 'Ik werd het goed zat steeds
voor neef Klaas opgepakt te worden. Eerst heb ik het geprobeerd met
snorren en baarden, maar zodra Klaas in de gaten had dat ik een snor
droeg, had ook hij een snor. En als ik mijn baard liet staan, liet
ook hij het scheermes rusten. Hoe dan ook, ik bleef op hem lijken.
Teneinde raad hebben mijn vrouw en ik besloten tot plastische
chirurgie. Omdat het ziekenfonds niet wilde betalen, zijn wij beiden
voor de ingreep gaan sparen. En toen viel het nog niet eens mee een
chirurg te vinden die het wilde doen.'
Ik spreidde beide armen. 'Maar
waarom zo'n neus?'
Hij glimlachte wat verlegen. 'Mijn
vrouw . . . had Cyrano de Bergerac gezien.'