|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau
Warmoesstraat deel 1 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Katten
Hij stond wat bedremmeld bij de verbroken ruit, toen
na een oorverdovend glasgerinkel aan alle kanten lichten aangingen
en ramen werden opengeschoven. Er was ook algauw politie. Toen ze
hem vastgrepen, lalde hij dat ze hem moesten laten gaan, dat hij
echt geen tijd had en nodig naar huis moest. Spartelend werd hij in
een politiewagentje gefrommeld.
De volgende morgen trof ik hem beneden in de cel. 'Zo, Janus,' zei
ik, want ik kende hem al jaren, 'hoe is het nu met je?'
Hij zette zijn handen op zijn knieën en kwam moeizaam overeind. Een
verschaalde dranklucht walmde me tegemoet.
'Gezopen?' vroeg ik overbodig.
Hij trok zijn schouders op en sjorde aan zijn broek. 'Ik ben weer
nuchter,' zei hij knorrig. 'Kan ik gaan?'
Ik schudde mijn hoofd en trok een droef gezicht. 'Dit keer niet. Je
zit ter zake poging tot diefstal met braak.'
'Wat?'
'Diefstal met braak,' herhaalde ik.
Hij liep hoofdschuddend terug naar zijn brits en ging weer zitten.
Een poosje zweeg hij. Toen keek hij naar mij op.
'Hoe lang ken je mij al?'
'Een jaar of tien,' antwoordde ik naar waarheid.
'Heb ik ooit zo iets gedaan?' Hij liet het hoofd zakken.
'Heb ik het echt gedaan?, vroeg hij na een tijdje.
'Er zijn getuigen. Je bent praktisch op heterdaad betrapt.'
Hij keek mij wat ongelovig aan. 'Waar was het dan?'
'Bij jou om de hoek. Je hebt met een straattegel de ruit van een
slagerij ingeslagen.'
'Een slagerij?'
Ik knikte. 'Je had de tegel nog in je hand, toen je door de agenten
werd gepakt.'
'Hoe laat was het?'
'Vannacht... half twee.'
Hij staarde peinzend voor zich uit, moeizaam tastend naar verdronken
beelden in zijn herinnering. Ineens verhelderde zijn blik.
'Mijn katten... ik weet het weer.'
Het klink oprecht blij.
'Ja, mijn katten. Sinds de dood van Sien woon ik alleen. Gisteren
kreeg ik van mijn zager in het café twee katten. Voor de
gezelligheid, begrijp je. Leuke beesten. Ik had ze in een grote
weekendtas met ritssluiting. Om een uur of één 's nachts kwam ik met
ze thuis. Ik was flink zat. Ik haalde ze uit de tas en liet ze
lopen. Ze kwamen direct naar mij toe, mauwend, met de staarten recht
omhoog. Ik aaide ze, maar ze bleven mauwen. Ik begreep dat de
beesten honger hadden. Ze hadden de hele dag nog niks gehad. Zelf
geef ik niet zoveel om eten. Ik heb geen ijskast. Ik heb ook nooit
wat in huis.'
Ik keek hem van terzijde aan. 'De katten bleven mauwen?'
Hij zuchtte. 'Ze streken langs mijn broek. Gaven me koppies. Het was
gewoon zielig. Ik had met ze te doen. Ik... eh, ik zei, beesten, zei
ik, ik heb niks, geloven jullie me. Ik heb ze mijn lege broodtrommel
laten zien.'
'En toen?'
Hij keek naar mij op.
'Toen dacht ik aan de slager om de hoek.'
'En die was 's nachts om één uur dicht.'
Hij knikte voor zich uit. 'De worsten lagen in de etalage.'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|