De man die met het hoofd omlaag wat weifelend de recherchekamer binnenstapte,
had een vaalbleek gezicht en diepliggende bruine ogen. Hij slofte een beetje.
Ik wenkte hem naderbij en liet hem plaats nemen.
'Wat kan ik voor u doen?'
opende ik gedienstig.
'Ik ben bestolen,' sprak hij hees.
Ik knikte gelaten, want ondanks mijn meer dan dertigjarige inspanningen bij de
politie stelen ze nog steeds. 'Zakkenroller?'
Hij schudde het hoofd. 'Een hoer ... op de Wallen.'
'Hoeveel?'
'Driehonderd gulden.'
'Zo maar?'
'Ja. Mijn colbertje had ik uitgedaan. Het hing over een stoel. Zij heeft het
geld uit mijn portefeuille genomen.'
'Voor een ... eh ... enkelvoudige
behandeling?'
Hij keek mij wat wazig aan. 'Ik begrijp u niet.'
'Bij buitensporige verlangens willen de tarieven nog weleens oplopen,' doceerde ik.
'U had geen bijzondere wensen?'
Hij trok de smalle schouders op. 'Nee. Ik liep over de Wallen en toen kwam ze
naar mij toe. Een forse blonde vrouw van een jaar of dertig. Ik vroeg wat het
kostte. Ze zei vijfentwintig gulden. Dat vond ik redelijk. Ik ben dus met haar
meegegaan.'
'U betaalde vijfentwintig gulden vooruit en na het. . . eh, innige samenzijn nam
ze nog eens driehonderd gulden?'
'Precies.'
Ik bracht de man naar het verhoorkamertje en ging op
pad. Ik wist wel zo ongeveer in welk pandje de blonde vrouw huisde
en liep er rechtstreeks heen. 'Ik kom even driehonderd gulden bij je halen,' opende ik. 'Van dat mannetje.'
Zij schudde resoluut het hoofd. 'Niks halen. Geen cent. Hij heeft ze mij zelf gegeven. Ik heb ze ook eerlijk verdiend.'
Ik grijnsde een beetje vals. 'Driehonderd gulden voor een gewoon nummertje?'
Zij zwaaide afwerend. 'Niks gewoon. Hij wou helemaal niet gewoon.' Zij stak een mollige arm vooruit. 'Ik moest van zo hoog druppels brandende brieflak op zijn blote buik laten vallen.'
'Dat heb je gedaan?'
'Ik vond het wel griezelig. Ik zei: Ik wil het wel doen, maarhet kost je driehonderd gulden.'
'En die heb je gekregen?'
'Ja. Hij zei: Pak ze maar.'
Ik glimlachte zoetjes. 'Gelukkig dat je brieflak in huishad.'
Zij brieste. 'Wat moet ik met brieflak? Lak ik weleens brieven? Die viezerik had het zelf meegenomen.'
Binnen een kwartier was ik terug. Ik haalde de man uit het verhoorkamertje. Bij mijn bureau liet ik hem staan. Zijn colbertje hing los. In een snelle beweging griste ik zijn hemd uit zijn broek en trok het omhoog. Op zijn buik ontdekte ik zeven verse brandwondjes. In sommige staken nog stukjes rode lak.
De man keek mij verslagen aan. Het duurde zeker een minuut voor hij zich zelf had hervonden. Toen frommeldehij zijn hemd in zijn broek en verliet zonder iets te zeggen de kamer.