Het aantal steekpartijen in de
Amsterdamse binnenstad neemt hand over hand toe. Onrustbarend. In
het Binnengasthuis, het dichtstbijzijnde ziekenhuis met een
eerste-hulppost, worden per jaar zo'n honderd dertig tot honderd
vijftig steekwondslachtoffers binnengebracht die een spoedoperatie
vergen. En dat betreffen voor zeker negentig procent slachtoffers
van steekpartijen op de Walletjes, de Zeedijk en omgeving.
Wanneer men vroeger - en dat is
nog geen jaar of tien geleden - in een café onenigheid kreeg, riep
de uitdager: 'Kom maar effe mee naar buiten!' Wat gebeurde. De
belangstellenden vormden een kring en de kemphanen gingen elkaar met
de blote vuist te lijf.
Nu hadden de bekende
straatvechters van die tijd wel een hoge hoed vol gemene trucs, maar
de verliezer kon in de regel thuis zijn wonden likken. Ik bedoel,
daar kwamen geen chirurgen aan te pas. Tegenwoordig duwt men elkaar
om de minste of geringste reden staal van vijftien centimeter
lengte tussen de ribben.
Het mes gold vroeger als het wapen
van een laffe vent, die het met zijn handen niet af kon. Het was
minderwaardig en de omstanders reageerden met afschuw. Nu kan men de
binnenstad zonder een gebruiksklaar dolk-, klap-, val- of knipmes
niet meer ingaan. Bij vrijwel elke arrestant aan het bureau
Warmoesstraat komt tijdens de fouillering zo'n moordwerktuig te
voorschijn.
De meeste berovingen in de
binnenstad worden met het mes in de hand gepleegd. Vaak door nog
jonge lieden. En wee degene die het waagt zich te verzetten: hij
wordt genadeloos neergestoken en alsnog van zijn bezittingen
beroofd. Bij de verslaafden, de junkies, heeft de heroïne elk gevoel
van humaniteit gedood. Wat telt is de heroïne en hun eigen
existentie. Al het andere is daaraan ondergeschikt. Als hun
vergiftigde bloed om een volgend 'shot' schreeuwt, moet hij
'scoren'. Het leven van een medemens is dan geen punt van overweging
meer.
Denkt u niet dat alleen mannen van
het mes gebruik maken. Ik ken ook vrouwen die buiten het
huishoudelijke bestel heel vaardig het mes als wapen hanteren.
Ik herinner me Bolle Piet, een
grote zwaargebouwde man, die graag een slok lustte. Wanneer hij 's
avonds van zijn werk uit de haven kwam, nam hij steevast een neut.
Kee, zijn wettige eega, vond dat niet goed. Zij was een klein
vrouwtje, hoewel een serpent. Wanneer Bolle Piet wat jolig
thuiskwam, sloeg zij hem met potten en pannen op het hoofd. Zij ging
daarvoor speciaal op een stoel staan, anders kon zij er niet bij.
Piet heeft mij weieens na zo'n behandeling zijn hoofd vol builen
laten zien. 'Hoe vind je mijn kluitenkop?' vroeg hij.
Op een keer stak zij hem met een
aardappelmesje een paar darmen lek. Het was aan de buitenkant
slechts een minuscuul wondje en Piet vond het niet nodig daarmee
naar een dokter te gaan. Hij liep gewoon door. Het werd zijn dood.
Kort voor hij stierf bezocht ik
hem ambtshalve in het Binnengasthuis. 'Hoe kom je aan die steek in
je buik?' vroeg ik.
Hij keek mij wat wazig aan. 'Van
Kee,' sprak hij vlak. 'Zij had de pest in.'
Plotseling, in een moment van
helderheid, kwam hij overeind. Hij stak een vinger naar mij op. 'En
waag het niet iets tegen haar te ondernemen,' sprak hij dreigend.
'Zij is voor mij altijd een moordwijf geweest.'