Hoewel wij Nederlanders over het algemeen wel
taalgevoelig zijn en velen van ons een of meer moderne talen
beheersen, vormen taal en spraak nog vaak een barrière. En dat niet
alleen bij lieden die van over onze grenzen komen. Ook staatkundige
Nederlanders komen onderling met elkaar dikwijls taalkundig in de
knoop.
De Surinamers met wie wij aan de Warmoesstraat wel
van doen hebben, hebben vaak de onhebbelijke gewoonte om in het
bijzijn van de politie onder elkaar het 'takkie-takkie' te kleppen.
Het is voor de politie irritant, want vrijwel niemand van ons
beheerst het. Toch is het voor sommige Surinamers uiterst nuttig,
omdat zij elkaar inlichtingen kunnen verschaffen waarvan de politie
geen deelgenoot wordt.
Van de week werden twee Surinaamse jongeren
gearresteerd, die ervan werden verdacht een reeks diefstalletjes te
hebben gepleegd. Op het moment van hun arrestatie volgde een rap
takkie-takkie over en weer. Plotseling verstomde hun gesprek. De
twee agenten die de arrestatie hadden verricht, begonnen luidkeels
tegen elkaar te praten in een taaltje dat de Surinamers vreemd in de
oren klonk. Het waren Bransma en Dijkstra uit us heitelan en zij
spraken Fries.
Het bargoens of dieventaaltje heeft haar
exclusiviteit grotendeels verloren. Het is zo algemeen, dat het
bijna beschaafd Nederlands is geworden. Een knaak, een piek, een
heitje, een klussie, een snabbel, een platvink en een gozer: zij
vormen geen onderdeel meer van een geheimtaal. Toch ontstaan er nog
steeds storingen in de communicatie.
Zo moest de brigadier-wachtcommandant die in de
nachtdienst zat even naar het toilet. Hij haalde een jonge diender,
nog niet zolang geleden uit de provincie in Amsterdam neergestreken,
uit de wachtkamer om even voor hem waar te nemen.
Op dat moment kwam een rasechte Amsterdammer het
bureau binnen. Voor de balie bleef hij staan en duimde over een
schouder. 'Buiten voor het bureau ligt een gewonde vogel.'
De jonge diender blikte omhoog en herhaalde: 'Een
gewonde vogel?'
De man knikte.
Even dacht de diender diep na, daarop stapte hij
naar de kantine en pakte een doos, waarin gewoonlijk de gevulde
koeken worden aangevoerd. Hij ging terug naar de balie en
overhandigde de man de doos.
De Amsterdammer was stomverbaasd. 'Wat moet ik met
die doos?'
De diender gebaarde. 'Voor de gewonde vogel.'
Er kwam een dwarse denkrimpel in het voorhoofd van
de Amsterdammer. Daarop vergleed zijn gezicht in een lach. 'Ik schat
hem zeker op honderd kilo,' reageerde hij geinig.
De diender keek hem verbijsterd aan. 'De vogel?'
'Zeker.'
Pas toen de brigadier uit het toilet stapte kwam aan
de spraakverwarring een eind en werd de gewonde man het bureau
binnengedragen.