Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 110

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 3
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Patat

 

Ik heb nogal moeite met de begrippen 'rijpheid' en 'volwassenheid'. Sommige mensen worden nooit volwassen, andere zijn het al op jeugdige leeftijd. Ik ken mooie gerijpte vrouwen van rond de veertig die een warm gevoel van menselijkheid uitstralen, en ik ken vijftigers die nog giechelen als een puber.

Ik werd laatst voorgesteld aan een knappe, jonge vrouw met verrukkelijke rondingen en een bescheiden, maar geraffineerde make-up. 'Ik ben Angelique,' zei ze met omfloerste stem en reikte mij de hand. Stotterend noemde ik mijn naam. Toen ik later vernam dat zij de veertien lentes nog niet haalde, bekroop mij toch een gevoel van onbehagen.

Vroeger hadden we 'bakvissen'. En daarmee werden dan meisjes bedoeld in de leeftijd van zestien, zeventien jaar. Het woord 'bakvis' is in onbruik geraakt en we hebben er niets voor teruggekregen. Het woord 'tiener' dekt de lading niet. Jonge vrouwen van zeventien, achttien en negentien jaar noemen zich geen tiener meer. Zij zijn meestal getrouwd of hebben een permanente vriend, compleet met seksuele begeleiding.

Van de week ontmoette ik in onze kantine aan de Warmoesstraat brigadier Jan van Loon. Jan is ongeveer van mijn leeftijd en zijn politiebrigade bestaat vrijwel uitsluitend uit piepjonge dienders, van wie de meesten nog onder de twintig.

'Hoe gaat het met je kroost?' vroeg ik spottend.

Hij schoof iets naar mij toe. 'Volgens mij worden de jongens veel te vroeg voor de leeuwen geworpen. Soms heb ik weleens medelijden met ze, geloof me.' Hij zweeg even, slurpte van zijn koffie. 'Vorige week kreeg ik in de avonddienst een telefoontje van een man. "Ik heb nogal wat huwelijksproblemen," zei hij. "Ik heb geprobeerd ze aan mijn vrouw uit te leggen, maar dat ontaardde in een slaande ruzie. En ik wil geen ruzie, begrijpt u? Toch wil ik het graag met haar uitpraten. Heeft u soms een mannetje bij de hand?"

Ik beloofde dat ik iemand zou sturen en liep naar de agentenwachtkamer. Tot mijn verdriet zag ik dat ik alleen twee van die jonge dienders in huis had. Ik weifelde even, maar bedacht dat een politieman enkel door schade en schande wijs wordt, dus stuurde ik ze naar het opgegeven adres. Tot mijn verbazing waren ze in korte tijd terug. Ze stonden wat beteuterd bij elkaar en legden ieder een gulden voor mij op de balie.

'Wat is dat?" vroeg ik verwonderd.

Een van hen nam aarzelend het woord. 'We zijn er geweest, brigadier. De man deed open en liet ons binnen. Hij bekeek ons van top tot teen en tastte vervolgens in zijn broekzak. 'Gaan jullie maar weer terug naar het bureau,' zei hij vriendelijk. 'En hier ... ieder een piek ... voor onderweg . .. voor een zakje patat.'

Ik keek van de een naar de ander. 'Wat hebben jullie toen gezegd?"

Een van hen haalde de schouders op. 'Wat hadden we moeten zeggen, brigadier?"

Toen werd ik kwaad. Ik had mij vroeger niet zo laten afschepen. Ik kneep mijn ogen dicht en brulde: 'Ieder nog een kwartje voor een lik mayonaise."

Ze dropen af naar de wachtkamer. Onbegrepen. De twee guldens bleven op de balie liggen.'

Jan van Loon keek naar mij op. 'Die ben ik 's avonds na mijn dienst even terug gaan brengen.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week