Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 109

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 3
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Poesje

 

In het nachtrapport stond dat ene heer Hendrik Willem ter Steege met ernstige fracturen aan beide benen in het Wilhelmina Gasthuis was opgenomen. Hij zou op een onverklaarbare wijze op de tweede etage van het balkon van zijn eigen woning zijn gevallen.

Omdat er altijd een mogelijkheid bestaat dat iemand niet vrijwillig van een balkon stort, maar een crimineel duwtje heeft gekregen, toog ik op pad om van de heer Ter Steege persoonlijk te vernemen waarom hij niet gewoon de trap had genomen om op de begane grond te komen.

Hij lag er wat witjes bij met beide benen in een stelsel van stangen, touwen en katrollen. Een grote sterke man met een breed gezicht.

'Ik ben van de recherche,' opende ik.

Hij keek mij geschrokken aan.

'Wat heeft ze nou weer?'

'Wie?'

'Poesje.'

'Poesje?' herhaalde ik niet-begrijpend.

Hij knikte met gesloten ogen. 'Ik heb twee vrouwen in huis ... mijn eigen vrouw dan en mijn dochter. Mijn dochter is een schat van een meid. Ik heb er één en daar heb ik dan ook alles voor over. Een maand geleden komt ze met een katje thuis. Een mormeltje. Onder de vlooien. Had ze van de straat opgeraapt. Met veel moeite hebben we het beest van de vlooien afgeholpen. We hadden haar nog geen week in huis . . . werd ze ziek. Mijn vrouw en dochter op hun knieën erbij. En janken. Ik kon het niet aanzien. Ik zei: Ik ga wel met haar naar de dierenarts. Het is de katteziekte, zei hij. Ik denk niet dat ze het nog haalt, maar ik zal haar een spuit geven. Kom ik met het mormeltje thuis en ik vertel van die katteziekte. Of de wereld verging. Met rode jankogen zaten ze bij het beest te waken. Ik zei: Kom, we maken een ritje met de auto. Laat die kat maar wat bijkomen.' Hij trok een pijnlijk gezicht.

'Meneer, we waren nog niet de straat uit of ze moesten alweer terug. Ik moest voorop om de deur open te doen, want het poesje mocht eens dood in de kamer liggen.'

Hij zuchtte diep. 'Ze was net goed en wel door de katteziekte gekomen, zit ze een vliegje achterna en duikt van tweehoog het raam uit.'

Hij grijnsde. 'Meneer, u had de consternatie moeten meemaken. In een schoenendoos met watten hebben ze het mormeltje naar boven gedragen. En ik weer naar de dierenarts. Het was niet zo erg, zei hij. Niks gebroken, alleen wat gekneusd. Na een week rende ze alweer door het huis.'

Hij pauzeerde even. 'Toen de deur even openstond, glipte ze de trap af, de straat op. Mijn dochter zoeken. Poesje was in geen velden of wegen te vinden. Dus mijn vrouw de straat op. Kwam ook met niks terug. Ik zat lekker met een pilsje bij de televisie, maar ik was toch niet zo goed of ik moest mijn jasje aantrekken en de straat op, poesje zoeken. En laat ik haar nog vinden ook.'

Ik wees naar zijn beide benen in de takels. 'Hoe is dat gekomen?'

Hij bracht een eelterige hand boven de dekens. 'Poesje. Ze zat buiten op de vensterbank bij de buren. Ik heb bij ze aangebeld, maar ze waren niet thuis.'

Ik knikte begrijpend. 'Toen bent u op het balkon geklommen om haar te pakken.'

'Ik verloor mijn evenwicht.'

Ik grijnsde. 'Het wordt tijd dat u poesje de deur uitdoet.'

Hij keek mij onthutst aan. 'Nooit!' Een zoete glimlach gleed over zijn brede gezicht. 'We hebben er zo'n plezier mee.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week