In het nachtrapport stond dat ene heer Hendrik
Willem ter Steege met ernstige fracturen aan beide benen in het
Wilhelmina Gasthuis was opgenomen. Hij zou op een onverklaarbare
wijze op de tweede etage van het balkon van zijn eigen woning zijn
gevallen.
Omdat er altijd een mogelijkheid bestaat dat iemand
niet vrijwillig van een balkon stort, maar een crimineel duwtje
heeft gekregen, toog ik op pad om van de heer Ter Steege persoonlijk
te vernemen waarom hij niet gewoon de trap had genomen om op de
begane grond te komen.
Hij lag er wat witjes bij met beide benen in een
stelsel van stangen, touwen en katrollen. Een grote sterke man met
een breed gezicht.
'Ik ben van de recherche,' opende ik.
Hij keek mij geschrokken aan.
'Wat heeft ze nou weer?'
'Wie?'
'Poesje.'
'Poesje?' herhaalde ik niet-begrijpend.
Hij knikte met gesloten ogen. 'Ik heb twee vrouwen
in huis ... mijn eigen vrouw dan en mijn dochter. Mijn dochter is
een schat van een meid. Ik heb er één en daar heb ik dan ook alles
voor over. Een maand geleden komt ze met een katje thuis. Een
mormeltje. Onder de vlooien. Had ze van de straat opgeraapt. Met
veel moeite hebben we het beest van de vlooien afgeholpen. We hadden
haar nog geen week in huis . . . werd ze ziek. Mijn vrouw en dochter
op hun knieën erbij. En janken. Ik kon het niet aanzien. Ik zei: Ik
ga wel met haar naar de dierenarts. Het is de katteziekte, zei hij.
Ik denk niet dat ze het nog haalt, maar ik zal haar een spuit geven.
Kom ik met het mormeltje thuis en ik vertel van die katteziekte. Of
de wereld verging. Met rode jankogen zaten ze bij het beest te
waken. Ik zei: Kom, we maken een ritje met de auto. Laat die kat
maar wat bijkomen.' Hij trok een pijnlijk gezicht.
'Meneer, we waren nog niet de straat uit of ze
moesten alweer terug. Ik moest voorop om de deur open te doen, want
het poesje mocht eens dood in de kamer liggen.'
Hij zuchtte diep. 'Ze was net goed en wel door de
katteziekte gekomen, zit ze een vliegje achterna en duikt van
tweehoog het raam uit.'
Hij grijnsde. 'Meneer, u had de consternatie moeten
meemaken. In een schoenendoos met watten hebben ze het mormeltje
naar boven gedragen. En ik weer naar de dierenarts. Het was niet zo
erg, zei hij. Niks gebroken, alleen wat gekneusd. Na een week rende
ze alweer door het huis.'
Hij pauzeerde even. 'Toen de deur even openstond,
glipte ze de trap af, de straat op. Mijn dochter zoeken. Poesje was
in geen velden of wegen te vinden. Dus mijn vrouw de straat op. Kwam
ook met niks terug. Ik zat lekker met een pilsje bij de televisie,
maar ik was toch niet zo goed of ik moest mijn jasje aantrekken en
de straat op, poesje zoeken. En laat ik haar nog vinden ook.'
Ik wees naar zijn beide benen in de takels. 'Hoe is
dat gekomen?'
Hij bracht een eelterige hand boven de dekens.
'Poesje. Ze zat buiten op de vensterbank bij de buren. Ik heb bij ze
aangebeld, maar ze waren niet thuis.'
Ik knikte begrijpend. 'Toen bent u op het balkon
geklommen om haar te pakken.'
'Ik verloor mijn evenwicht.'
Ik grijnsde. 'Het wordt tijd dat u poesje de deur
uitdoet.'
Hij keek mij onthutst aan. 'Nooit!' Een zoete
glimlach gleed over zijn brede gezicht. 'We hebben er zo'n plezier
mee.'