De oude binnenstad van Amsterdam oefent een bijna
magische aantrekkingskracht uit op lieden van allerlei slag. De
vreemdsoortigste typen voelen zich er thuis. Hoewel de politie van
de Warmoesstraat een slechte roep heeft, zorgt het personeel van dat
zo omstreden districtsbureau voor een mild klimaat, waarin vogels
van uiteenlopende pluimage min of meer vreedzaam naast elkaar kunnen
existeren.
Een van die uitzonderlijke vogels is Jelle ... beter
bekend als Dronken Jelle, want zijn benevelde toestand is bijna
permanent. Jelle zuipt. Jelle zuipt met een gretigheid, een beter
doel waardig.
Wij kennen Jelle allemaal. Dronken Jelle is een
begrip. Er is niemand die een hekel aan hem heeft. Daarom pakken wij
hem ook sporadisch op. Zolang hij nog op eigen kracht van kroeg naar
kroeg slingert, laten wij hem gaan. Maar zo tweemaal in de maand
sneuvelt hij ergens tussen twee kroegen in. Dan slepen wij hem naar
een dronkemanscel, waar hij ronkend zijn roes uitslaapt.
Volgens de verhalen is Jelle een oud-circusartiest,
die in zijn gloriedagen gracieus van trapeze naar trapeze zweefde.
Een val uit de nok van het circus zou zijn carrière hebben gebroken
en sindsdien leeft hij van een bescheiden invaliditeitsgeld.
Nu zult u opmerken dat de inkomensbron van Jelle te
gering is voor een voortdurende dronkenschap. U hebt gelijk. Jelle
wordt echter omringd door een schare bewonderaars, die ervoor zorgen
dat hij zonder enige terughoudendheid het spirituele vocht tot zich
kan nemen.
Op een bepaald moment pakten wij hem weer eens op.
Zoals elke arrestant die in een cel wordt gesloten, moest ook Jelle
zijn bezittingen afgeven. Het was niet veel... een paar losse
dubbeltjes, centen en een oude kam, waarin nog zeven tanden staken.
Het werd heel netjes in een fouilleringsbakje gedeponeerd.
De volgende morgen had een jonge
leerling-wachtcommandant dienst. Om precies acht uur haalde hij
Jelle uit zijn dronkemanscel, overhandigde hem zijn bezittingen en
stuurde hem de straat op.
Twintig minuten later sloeg hij zich voor het klamme
voorhoofd. Hij had een vergissing begaan en aan Jelle de fouillering
meegegeven van een kassier, die voor een verduistering in de cel
zat. Het was een puur gouden horloge en een envelop met ruim
drieduizend gulden. In paniek stuurde de jonge wachtcommandant al
het beschikbare personeel de straat op om Jelle te zoeken.
Het duurde een half uurtje voor zij hem vonden. Het
was in een klein café, waar hij achter een levensgroot glas pils
juist bezig was het geld te tellen. Hij werd zacht tegenstribbelend
teruggebracht.
Hoewel de daad van Jelle mogelijk als een strafbare
handeling kon worden uitgelegd, voelde niemand er iets voor hem voor
een door ons gemaakte fout aansprakelijk te stellen. Toch vroeg ik
hem waarom hij geld en goederen, waarop hij geen enkel recht kon
doen gelden, had aangenomen.
Hij keek mij met grote ogen verwonderd aan. 'Geen
recht?' riep hij verongelijkt. 'Jullie houden dat toch bij?'
'Wat?' vroeg ik niet-begrijpend.
Hij zwaaide met een getatoeëerde arm. 'Hoe vaak
iemand voor dronkenschap wordt opgepakt. Het was mijn honderdste
keer.'
Hij grijnsde met een scheve mond. 'Toen de
wachtcommandant mij dat gouden horloge gaf en daarbij die envelop
met inhoud dacht ik: Voor mijn jubileum.'