Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 108

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 3
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Jubileum

 

De oude binnenstad van Amsterdam oefent een bijna magische aantrekkingskracht uit op lieden van allerlei slag. De vreemdsoortigste typen voelen zich er thuis. Hoewel de politie van de Warmoesstraat een slechte roep heeft, zorgt het personeel van dat zo omstreden districtsbureau voor een mild klimaat, waarin vogels van uiteenlopende pluimage min of meer vreedzaam naast elkaar kunnen existeren.

Een van die uitzonderlijke vogels is Jelle ... beter bekend als Dronken Jelle, want zijn benevelde toestand is bijna permanent. Jelle zuipt. Jelle zuipt met een gretigheid, een beter doel waardig.

Wij kennen Jelle allemaal. Dronken Jelle is een begrip. Er is niemand die een hekel aan hem heeft. Daarom pakken wij hem ook sporadisch op. Zolang hij nog op eigen kracht van kroeg naar kroeg slingert, laten wij hem gaan. Maar zo tweemaal in de maand sneuvelt hij ergens tussen twee kroegen in. Dan slepen wij hem naar een dronkemanscel, waar hij ronkend zijn roes uitslaapt.

Volgens de verhalen is Jelle een oud-circusartiest, die in zijn gloriedagen gracieus van trapeze naar trapeze zweefde. Een val uit de nok van het circus zou zijn carrière hebben gebroken en sindsdien leeft hij van een bescheiden invaliditeitsgeld.

Nu zult u opmerken dat de inkomensbron van Jelle te gering is voor een voortdurende dronkenschap. U hebt gelijk. Jelle wordt echter omringd door een schare bewonderaars, die ervoor zorgen dat hij zonder enige terughoudendheid het spirituele vocht tot zich kan nemen.

Op een bepaald moment pakten wij hem weer eens op. Zoals elke arrestant die in een cel wordt gesloten, moest ook Jelle zijn bezittingen afgeven. Het was niet veel... een paar losse dubbeltjes, centen en een oude kam, waarin nog zeven tanden staken. Het werd heel netjes in een fouilleringsbakje gedeponeerd.

De volgende morgen had een jonge leerling-wachtcommandant dienst. Om precies acht uur haalde hij Jelle uit zijn dronkemanscel, overhandigde hem zijn bezittingen en stuurde hem de straat op.

Twintig minuten later sloeg hij zich voor het klamme voorhoofd. Hij had een vergissing begaan en aan Jelle de fouillering meegegeven van een kassier, die voor een verduistering in de cel zat. Het was een puur gouden horloge en een envelop met ruim drieduizend gulden. In paniek stuurde de jonge wachtcommandant al het beschikbare personeel de straat op om Jelle te zoeken.

Het duurde een half uurtje voor zij hem vonden. Het was in een klein café, waar hij achter een levensgroot glas pils juist bezig was het geld te tellen. Hij werd zacht tegenstribbelend teruggebracht.

Hoewel de daad van Jelle mogelijk als een strafbare handeling kon worden uitgelegd, voelde niemand er iets voor hem voor een door ons gemaakte fout aansprakelijk te stellen. Toch vroeg ik hem waarom hij geld en goederen, waarop hij geen enkel recht kon doen gelden, had aangenomen.

Hij keek mij met grote ogen verwonderd aan. 'Geen recht?' riep hij verongelijkt. 'Jullie houden dat toch bij?'

'Wat?' vroeg ik niet-begrijpend.

Hij zwaaide met een getatoeëerde arm. 'Hoe vaak iemand voor dronkenschap wordt opgepakt. Het was mijn honderdste keer.'

Hij grijnsde met een scheve mond. 'Toen de wachtcommandant mij dat gouden horloge gaf en daarbij die envelop met inhoud dacht ik: Voor mijn jubileum.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week