Twee potige dienders brachten hem de recherchekamer
binnen: een fors gebouwde man met een wat verwilderde haardos. Uit
zijn helblauwe ogen straalde een vurige, agressieve blik.
De dienders plaatsten hem op de stoel voor mijn
bureau en een van hen reikte mij een proces-verbaal. Hij knikte naar
de man. 'Een beeldhouwer,' sprak hij nonchalant, 'voor
drie-vijftig.'
De man blikte omhoog. 'Drie-vijftig,' snauwde hij,
'wat is nu drie-vijftig?' Hij schudde het hoofd. 'Ik ben geen
beeldhouwer van drie-vijftig.'
Ik glimlachte beminnelijk. 'De agent bedoelt,' legde
ik uit, 'artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. In dat artikel
wordt het opzettelijk wederrechtelijk vernielen van andermans
eigendommen strafbaar gesteld.'
Hij trok de machtige schouders op en staarde nors
voor zich uit. De dienders verdwenen en ik las hun procesverbaal
door. Er stond dat de beeldhouwer met een steen de ruiten van de
vitrines van twee bioscopen had ingeslagen.
Ik keek naar hem op. 'U hebt in de bocht van de
Nieuwen-dijk een aantal ruiten vernield.'
Hij liet de haardos even dansen.
'Opzettelijk?' vroeg ik.
Hij knikte opnieuw, feller. Daarna boog hij zich
naar mij toe. 'Weet u wat voor bioscopen dat zijn?'
Ik tikte op het proces-verbaal. 'Ik heb het gelezen.
Cinema Parisien en Blue Cinema.'
Hij snoof. De beide neusvleugels trilden. 'En weet u
wat ze daar vertonen?'
Ik gebaarde vaag. 'Fel realistisch filmwerk.'
De beeldhouwer sprong geëmotioneerd overeind. 'Fel
realistisch!' schreeuwde hij minachtend. 'Viezigheid! Porno! Hebt u
de plaatjes in die vitrines gezien? Vuiligheid! Open en bloot! Vieze
wijven en kerels .. . naakt in schunnige standjes. Te kijk. . . voor
iedereen! Ook elk kind dat voorbijkomt kan zich eraan vergapen.' Hij
zwaaide met beide armen. 'En wie doet er wat aan? Niemand. Ook de
politie loopt eraan voorbij.'
Hij klapte met een vuist op mijn bureau. 'Nu is het
afgelopen. Het kan niet langer. Ik kan de zedelijke ondergang van
Amsterdam niet langer aanzien. Vandaag ben ik begonnen .. . een
kruistocht tegen de onzedelijkheid.' Hij mepte opnieuw. 'En ik zal
niet eerder rusten vóór Amsterdam weer begaanbaar is voor mensen met
een oprecht kuis zedelijkheidsgevoel.' Vermoeid zakte hij op zijn
stoel terug.
Nog onder de indruk van zijn toespraak tikte ik het
verhoor uit en zei hem daarna dat hij weer mocht vertrekken. Met
opgeheven hoofd dreunde hij de kamer uit.
Ik deed het raam achter mij open en zag hem even
later het bureau uitstappen. Tot mijn schrik liep hij rechtstreeks
de Lange Niezel in. Ik ken de etalages daar. Ik kom er dagelijks
voorbij. Daarom kneep ik mijn ogen dicht. Het duurde heel kort.
Misschien een paar seconden. Toen kletterde een ruit aan diggelen.
Vijf minuten later zat hij weer voor mij.
'Ik heb het u gezegd,' sprak hij verontschuldigend.
Ik knikte gelaten.
'Een kruistocht.'