Het is een trieste constatering maar vele
politiemannen zijn volmaakt humorloos. Ik heb mij weleens met enige
angst afgevraagd hoe dat komt. Ik denk dat het een kwestie is van
beroepsdeformatie.
De voortdurende confrontatie met misdaad en
menselijk leed vervormt overigens zeer vriendelijke lieden tot soms
wat botte, strikt rechtlijnig en zakelijk opererende ambtenaren. Ik
geloof dat het een proces is van zelfprotectie.
Mij verdriet het
persoonlijk erg dat zij op den duur het gevoel kwijtraken om vooral
subtiele humor te onderkennen. En gevoel voor humor is een rijk
bezit, dat ieder mens dient te koesteren en te bewaken als een
kostbaar kleinood.
Op een dag maakte ik in het politiebureau aan de
Warmoesstraat een ongedwongen babbeltje met een collega-rechercheur,
die de opvangdienst behartigde. Hij is een aardige en onberispelijke
vent. Nog wel niet in de dienst vergrijsd, maar hij loopt toch al
zo'n jaar of twintig bij de politie mee.
Terwijl ik bij hem zat, kwam een vrouwtje de
recherchekamer binnen. Het was een kittig ding met een in het oog
lopende buste en een iets te zware make-up. je Op haar hoge hakjes
tippelde zij naderbij. Toen mijn collega haar een stoel aanbood,
plofte zij wat onelegant neer. Kauwend op een snoepje zei ze bijna
lachend: 'Ik ben bestolen.'
'Waar?' vroeg mijn collega.
'In een cafeetje.'
'Bent u veel kwijt?'
'Tweehonderd gulden.'
'Weet u wie het heeft
gedaan?'
Zij verschoof iets op haar stoel en trok vervolgens wat
nonchalant de schouders op. 'Een jongen.'
'Kent u hem?'
Zij liet haar kauwende kaken even rusten en
glimlachte.
'Wat heet kennen? Ik was een avondje stappen en toen
kwam ik hem tegen. In de binnenstad. Een knap gozertje. Ik zag wel
wat in hem. En dat liet ik merken. Nou, toen zijn we samen naar een
cafeetje gegaan.'
'En daar heeft hij u bestolen?'
Zij knikte traag. 'We gingen samen wat achteraf aan
een tafeltje zitten. Zo'n smal tafeltje, weet u wel, met de knietjes
in elkaar.'
'En toen?'
Zij duwde haar stoel iets achteruit, tilde haar rok
omhoog en gunde ons een blik op een fraai gevormd been in een
opwindend zwarte strakke nylonkous.
Zij wees hoog naar de donkere rand. 'Kijk,' legde
zij uit, 'hier had ik ze zitten .. . twee briefjes van honderd.'
'En hij heeft ze vandaar weggenomen?'
'Ja, vandaar.'
Mijn bedaagde collega slikte. 'Maar,' stotterde hij,
'dat voel je toch?'
Zij keek naar hem op. Een blik van verbazing in haar
ogen. 'Wist ik dat hij op mijn geld uit was?'
Het duurde even, toen barstte ik in lachen uit. Mijn
collega vertrok geen spier.