Best bekeken in 1024x768

Verhaal van de week - nr. 102

 

Uit:  Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat deel 2
Uitgegeven door De Fontein - Baarn - verschenen 1993

 

Bionisch

 

De man stapte doelbewust binnen, bleef midden in de grote recherchekamer staan, blikte wat rond en stapte daarop met ferme tred op mij toe. Ik schatte hem op achter in de veertig. Hij had een lichtblonde, diep wijkende kroeskop boven een bleek smal gezicht met scherpe trekken. In zijn fletsblauwe ogen lag een wat wazige blik.
'U bent van de recherche?' vroeg hij scherp.
Omdat er mensen zijn die aan een rechercheur fabelachtige eigenschappen toedenken, knikte ik wat bedeesd.
'Dan heb ik een zaak voor u.'
In zijn stem klonk een misplaatste jubel, want de lade van mijn bureau lag vol en ik had echt geen behoefte aan weer een nieuwe zaak.
'Zo?' zei ik wat terughoudend.
Hij deinde met het kroeshoofd. 'Ik ben beroofd... in de binnenstad... in de nacht.'
Ik schudde het hoofd. 'U moet niet in de binnenstad komen,' zei ik bestraffend. 'En zeker niet in de nacht. Dat is veel te gevaarlijk.'
Hij glimlachte, hautain. 'Normaal kan mij niets gebeuren. Ik heb een geheim wapen.'
Ik trok de wenkbrauwen op. 'Een geheim wapen?'
Hij kneep de magere lippen op elkaar en knikte. 'Ik ben bionisch.'
'Wat is dat?' vroeg ik niet-begrijpend.
Hij keek me verward aan. 'Kijkt u nooit naar de tv?'
'Niet veel,' bekende ik.
Hij grinnikte. 'Nooit gehoord van de man van zes miljoen? Die is helemaal bionisch. Hij heeft geen echte ledematen meer. Allemaal bionisch - kunst.'
Hij stond van zijn stoel op, ging naast mijn bureau staan en schopte het rechterbeen vooruit. Het was een wat vreemde beweging. Hij boog voorover en klopte op het onderbeen. 'Bionisch - een kunstpoot. Je schopt er iedereen mee van de sokken.'
Ik liet hem weer plaats nemen. 'U bent beroofd?' vroeg ik zakelijk.
Hij zuchtte. 'Om een uur of twee vannacht. Ik kwam uit een kroegje en had een paar borrels op. Niet veel. Ik was echt nog wel bij de tijd.
Op straat kwam een vreemde man naar me toe en die vroeg me hoeveel ik woog. Ik zei: Tachtig kilo.

De man bekeek me van onder tot boven en schudde vervolgens het hoofd. Ik geloof er niets van, zei hij. Volgens mij is het veel minder. Ik bleef volhouden dat ik tachtig kilo woog... want dat weeg ik.
De man pakte me toen om mijn middel vast en tilde me iets op. Ja, zei hij, inderdaad, je weegt tachtig kilo.

Ik lachte, omdat ik gelijk had. De man keek me daarop onderzoekend aan. Je ziet er slecht uit, zei hij. Je bent ziek.

Ik zei: Nee, ik zie altijd wat bleek.
De man trok een bedenkelijk gezicht. Laat mij je pols eens voelen, zei hij.'

'En dat heeft hij gedaan?'

'Wat?'
'Uw pols gevoeld?'
Hij gebaarde. 'Ja. Hij had er eerst wat moeite mee om mijn polsslag te vinden. Maar na een poosje zei hij dat het toch wel goed met me zat.' Hij zweeg even, staarde voor zich uit. 'Vrijwel direct daarna bemerkte ik dat ik én mijn portefeuille én mijn polshorloge kwijt was.'

'En toen?'

'Niks.'
'Maar uw geheime wapen?'
Hij schudde droef het hoofd. 'Werkte niet... het scharnier zat vast.'

 

A.C. Baantjer

 

Archief verhaal van de week