|
Uit: |
Rechercheur Baantjer Bureau Warmoesstraat
deel 2 |
|
Uitgegeven door De Fontein -
Baarn - verschenen 1993 |
|
Evert
Hoe objectief men als politieman ook poogt te zijn,
men ontkomt nooit aan gevoelens van sympathie of antipathie. Het is
onvermijdelijk. Ik weet niet of er een redelijke verklaring bestaat
voor het feit dat na een vluchtig contact, een blik, een
woordenwisseling, de ene mens een sympathiekere indruk achterlaat
dan de andere.
Misschien dat Freud of een andere zielontleder er
iets van kan zeggen. Ik kan het niet. Ik weet alleen dat sommige
boeven en boefjes mij sympathieker zijn dan vele rechtschapen mensen
die ik ken. Ik bedoel dit niet cynisch. Er zijn ook vele
rechtvaardigen, die ik een goed hart toedraag.
Een boefje dat mij dierbaar is heet Evert... beter bekend als Smalle
Evie, een spichtig mannetje met nerveuze vlugge bewegingen en een
snelle blik. Ik weet hoe hij aan de kost komt. Al jaren.
Smalle Evie verkoopt 'nep'-ringen in donkere straatjes en duistere
cafés. Het vereist een overtuigende verkooptechniek om een brokje
gemeen koper met glinsterende stukjes glas aan de man te brengen
voor massief goud met briljanten. Evert beheerst die techniek tot in
de toppen van zijn magere vingers.
Het lukt natuurlijk niet altijd en het legertje wantrouwenden wordt
steeds groter. Bovendien slinkt het afzetgebied, want elke koper is
een toekomstige vijand - een man met wrok om het bedrog.
Vorige week kreeg ik het bericht dat Evert in een ziekenhuis was
opgenomen. Agenten hadden hem half bewusteloos gevonden in een van
de steegjes, waar Smalle Evie meestal opereerde. Uit dat steegje was
een man komen hollen, een grote vent uit het noorden van het land.
Ze hadden hem aangehouden en in een cel gestopt.
Ik begreep direct wat er was gebeurd. Smalle Evie had een nep-ring
verkocht en de man had het bedrog ontdekt voor Evert had kunnen
ontkomen.
Ik ging naar de cel. De man was nors, onwillig en weigerde te zeggen
waarom hij zo hard uit dat steegje was komen hollen. Er waren geen
getuigen en zonder de verklaring van Evert zou ik niets kunnen
ondernemen.
Ik trof hem in een groot ziekenhuisbed. Hij lag er wat witjes bij.
De dokter had me gezegd dat hij een paar ribben had gekneusd, en ik
was bezield van medelijden toen ik hem zo zag liggen.
'Dag, Evert, jongen,' zei ik.
Hij moet gemerkt hebben dat er iets in mijn stem trilde, want hij
keek naar me op en zei: 'Zeg, je gaat toch niet grienen?'
Ik negeerde zijn opmerking en vroeg hoe hij aan zijn verwondingen
was gekomen.
'Gevallen.'
Ik grijnsde. 'Kom, Evert,' zei ik. 'We hebben een vent in de cel.
Hij kwam uit dat steegje hollen.'
Hij trok de smalle schouders op. 'Weet je veel. Misschien had de man
behoefte aan wat lichaamsbeweging.'
Ik schudde het hoofd. 'Evert,' zei ik geduldig, 'die man heeft je in
elkaar gebeukt. Dat is toch duidelijk.'
Hij kneep de lippen op elkaar. 'Gevallen,' zei hij strak.
Hij zag aan mijn gezicht dat ik me ergerde.
'Hoeveel mensen heb ik in de loop der jaren belazerd?'
'Honderden,' antwoordde ik.
Hij spreidde de magere armen. 'Nou... mag het dan een keer?'
A.C. Baantjer
Archief
verhaal van de week
|